Edito
Eline Dehullu – Hoofdredacteur
Gideon Boie – Gastredacteur
De straat is de meest gedeelde en tegelijk minst ontworpen ruimte van onze samenleving. Ze is ouder dan de architectuur zelf, maar opvallend afwezig in het architectuurdiscours. Terwijl zowat elk programma van de gebouwde omgeving vandaag grondig wordt herdacht – wonen, werken, zorgen, leren, ontspannen – blijft de straat hardnekkig functioneren binnen een verouderd fordistisch paradigma. De straat is een bewegingsmachine, wat telt is vlotte en efficiënte doorstroming. En tegelijkertijd staat de straat voor precies het tegenovergestelde: stilstand. Een grote portie van onze publieke ruimte dient voor de opslag van ongebruikte auto’s.
Een van de grootste ontwerpuitdagingen van vandaag, naast het creëren van nieuwe publieke ruimte, is het herdenken van de publieke ruimte die we al hebben: de ‘gewone’ straat. Gideon Boie, auteur van Kleine filosofie van de verkeersveiligheid (Zuidzee, 2025) en gastredacteur van dit A+ -nummer, stelt dat de straat opnieuw als een volwaardige architecturale ruimte moet worden benaderd: als een publieke kamer tussen gebouwen, in nauwe dialoog met de gevels die haar begrenzen en ontsluiten. Niet louter als plek van verplaatsing, maar als ruimte waarin wonen, werken, zorgen en samenleven elkaar raken. Die benadering schuift een fundamentele vraag naar voren: wat betekent het recht op de straat, voor wie geldt dat recht,en om wat te doen?
De felle reacties tegen autoluwe maatregelen in Brussel, Gent en tal van andere Belgische en Europese steden maken duidelijk hoe diep de bestaande ordening van de straat verankerd zit. De terugkerende protesten tonen dat de straat niet alleen een plek van beweging en ontmoeting is, maar ook van conflict en politieke strijd. Vaak halen beleidsmakers en ontwerpers daarbij technische argumenten aan, zonder stil te staan bij de normatieve keuzes die ze maken: willen we vooral inzetten op efficiëntie en doorstroming, of op verblijf en maatschappelijke samenhang? De beweging rond de Rechtvaardige Straat maakt expliciet wat al te vaak als vanzelfsprekend wordt beschouwd: de dominantie van de auto is geen natuurwet, maar het resultaat van politieke en ontwerpkeuzes.
De bijdragen in dit nummer vertrekken niet vanuit één discipline, schaal of ideologie, maar vormen samen een meerstemmig onderzoek naar de straat als architecturale en maatschappelijke opgave. Vanuit een historisch-kritische lezing van de straat als ontwerpprobleem stelt Gideon Boie vastgeroeste ontwerp- en beheerculturen in vraag, met bijzondere aandacht voor actieve weggebruikers en de sociale en culturele uitwisseling als fundamentele aard van de publieke ruimte. Glenn Lyppens onderzoekt de genealogie van de dagelijkse gebruiken in de publieke ruimte via het denken van Geert Bekaert, Ingrid en Jan Gehl en anderen. Hij maakt duidelijk hoe de droom van een andere straatcultuur onlosmakelijk verbonden is met de manier waarop wij het wonen ontwerpen – en omgekeerd.
Andere bijdragen verschuiven het perspectief naar gebruik, macht en verantwoordelijkheid. Apolline Vranken toont hoe het ontwerp van de publieke ruimte historisch werd bepaald vanuit het standpunt van de pendelende man. Ze pleit voor een totale ommezwaai, waarbij de straat wordt bekeken door de ogen van wie zorgend, wachtend of begeleidend onderweg is. Gilles Debrun belicht hoe veranderingen in het straatgebruik vaak bottom‑up ontstaan, via protest, activisme en tijdelijke invullingen, en stelt tegelijkertijd de vraag in hoeverre het ontwerpproces van straten kan worden opgevat als een samenwerking tussen overheid en buurtbewoners, dankzij tactische regelgeving en dito procedures.
Een blik op het buitenland, door Simon De Boeck en Maarten Van Acker, toont vervolgens dat structurele verandering wel degelijk mogelijk is, maar zelden zonder conflict, aanpassing en politieke moed. Internationale voorbeelden fungeren hier niet als blauwdruk, maar als leerproces. Dat proces krijgt een meer lokaal en tactisch vervolg in de bijdrage van Eline Aerts over het programma van de Leefbuurten van de Vlaamse Bouwmeester, die laten zien hoe kleine, tijdelijke ingrepen in Vlaamse woonwijken kunnen uitgroeien tot hefboom voor structurele verandering. Jean-Guy Pecher Chapeaux beschrijft hoe ook de Brusselse Bouwmeester tools biedt om de straat op te vatten als een laboratorium voor klimaatadaptie en transitie. Erro Rasker, ten slotte, gaat op zoek naar de straat als zachte ruimte. Al flanerend door Brussel ontvouwt de tekst zich als een gedachtestroom en biedt zo een intieme reflectie op het gebruik van de straat.
Samen maken deze bijdragen duidelijk dat de straat geen vaststaand gegeven is, maar een onderwerp van permanente onderhandeling in beweging. Ze is tegelijkertijd ruimte en gebruik, infrastructuur en conflict, ontwerp en toe‑eigening. Dit nummer pleit dan ook niet voor één model, maar voor een hernieuwde ontwerpaandacht voor de straat als sociaal-culturele constructie, als politieke arena en als essentiële architecturale opgave. Met erkenning van en aandacht voor de voetganger, niet alleen als weggebruiker, maar ook als burger.
Eline Dehullu
Hoofdredacteur
Gideon Boie
Gastredacteur
Table of contents
STREETS AS SOFT SPA+CES
EDITO
De architectuur van de straat
Eline Dehullu en Gideon Boie
ESSAYS
Een ontwerpuitdaging zo oud als de straat
Gideon Boie
De woonstraat, een gedeelde ontwerpopgave
Glenn Lyppens
Naar meer leefstraten in de stad
Gilles Debrun
Van wie is de straat? De straat is van ons!
Apolline Vranken
Van verkeersruimte naar woonmilieu
Eline Aerts
De straat als proefterrein
Jean-Guy Pecher Chapeaux
Van Superblocks tot Plaza’s
Simon De Boeck en Maarten Van Acker
OPINIE
Soft street rijmt niet
Erro Rasker
PROJECTEN
MDW – V+
RTBF, Brussel
Office
RTS, Lausanne (CH)
AgwA – S2JD
Gemeenschapscentrum, Wandre
Eagles of Architecture
Stadhuis, Mortsel
Ouest
Scarabaeus, Schaarbeek
Gijs Van Vaerenbergh
Inverse Ruïne, Policoro (IT)
INTERVIEWS
Ronan Bouroullec
Zsuzsanna Böröcz
Lisa De Visscher
Pieter T’Jonck