Toen Jef Cornelis en Geert Bekaert begin jaren 1970 in hun documentaire De Straat het verdwijnen van de straat als verblijfsruimte aanklaagden, viseerden zij niet alleen het oprukkende autoverkeer, maar ook de ontwerp- en beheercultuur die de straat tot verkeersmachine reduceerde: een kanaal voor verplaatsing, losgekoppeld van wonen, sociale omgang en ruimtelijke kwaliteit. Of kwaliteitsvolle straten voor keuvelende buren en spelende kinderen – zoals je ze nog in Italiaanse dorpjes aantreft – écht ontworpen kunnen worden, was voor hen geen vanzelfsprekende vraag.
Die kritiek stond niet op zichzelf. Reeds in de jaren 1950 en 1960 verzetten leden van Team X – onder anderen Alison en Peter Smithson, Aldo van Eyck en Herman Hertzberger – zich tegen het verlies van de straat als sociale ruimte. De auto en de afstandelijke organisatie van woningen tegenover elkaar en de publieke ruimte ondergroeven volgens hen het alledaagse contact. Daartegenover plaatsten ze de behoefte aan een architectonische tussenschaal: woningen clusteren rond bewoonbare straatruimtes, zodat ontmoeting en informele solidariteit niet toevallig hoeven te zijn.