De straat is de meest gedeelde en tegelijk minst ontworpen ruimte van onze samenleving. Ze is ouder dan de architectuur zelf, maar opvallend afwezig in het architectuurdiscours. Terwijl zowat elk programma van de gebouwde omgeving vandaag grondig wordt herdacht – wonen, werken, zorgen, leren, ontspannen – blijft de straat hardnekkig functioneren binnen een verouderd fordistisch paradigma. De straat is een bewegingsmachine, wat telt is vlotte en efficiënte doorstroming. En tegelijkertijd staat de straat voor precies het tegenovergestelde: stilstand. Een grote portie van onze publieke ruimte dient voor de opslag van ongebruikte auto’s.

Een van de grootste ontwerpuitdagingen van vandaag, naast het creëren van nieuwe publieke ruimte, is het herdenken van de publieke ruimte die we al hebben: de ‘gewone’ straat. Gideon Boie, auteur van Kleine filosofie van de verkeersveiligheid (Zuidzee, 2025) en gastredacteur van dit A+ -nummer, stelt dat de straat opnieuw als een volwaardige architecturale ruimte moet worden benaderd: als een publieke kamer tussen ge­­bouwen, in nauwe dialoog met de gevels die haar begrenzen en ontsluiten. Niet louter als plek van verplaatsing, maar als ruimte waarin wonen, werken, zorgen en samenleven elkaar raken. Die benadering schuift een fundamentele vraag naar voren: wat betekent het recht op de straat, voor wie geldt dat recht,en om wat te doen?