De straat is niet genderneutraal. Stadstheoretici, architecten en stedenbouwkundigen hebben aangetoond dat de publieke ruimte is ontworpen door en voor mannen, wat zich manifesteert in het gebruik, de schaal, de mobiliteitspatronen en het ritme van de straat. Om deze realiteit te doorgronden en de daaruit voortvloeiende ruimtelijke ongelijkheid aan te pakken, moeten we de straat door een genderbril bekijken. Dat begint bij de geleefde ervaringen van vrouwelijke stadsbewoners en gebruikers, bij hun dagelijkse routines, hun behoeften en hun verlangens.
Vandaag de dag heeft een derde van de weggebruikers een beperkte mobiliteit (source). Misschien heb je op Instagram weleens de videoreeks Women holding things 1 voorbij zien komen: beelden van vrouwen die een kinderwagen voortduwen, een trolley achter zich aan trekken, hun handen vol hebben met tassen en boodschappen, een baby op de arm dragen of een kind bij de hand houden; vrouwen die een oudere, gewonde, iemand met een beperking of een hulpbehoevende begeleiden; vrouwen die met onhandige objecten of meubels zeulen, een boeketje of een maaltijd bezorgen, een hond uitlaten, en ga zo maar door. Al die dagelijkse zorgtaken die vrouwen – en in het bijzonder vrouwen van kleur – onvermoeibaar uitvoeren om de wereld draaiende te houden. Toch is de straat uitsluitend afgestemd op de eisen van productieve arbeid. Reproductieve activiteiten blijven een vergeten dimensie in het stedelijke maakproces en worden, net als de vrouwen zelf, nog steeds naar de privésfeer verbannen. 1 Zie ook: Maira Kalman, Women Holding Things, Harper, 2022
Een ander opmerkelijk fenomeen in de grote steden is dat vrouwen en mensen van gemarginaliseerde genders de publieke ruimte niet gebruiken om rond te slenteren of simpelweg even te gaan zitten. Dat verschijnsel wordt ook wel ‘doorstroomstad’ genoemd en kent verschillende oorzaken: tijdsgebrek – de beruchte dubbele werkdag (productief en reproductief) als gevolg van een ongelijke verdeling van de huishoudelijke taken; de afwezigheid van ruimtes en functies die door en voor vrouwen zijn ontworpen – gender is een blinde vlek in de stedelijke inrichting; en tot slot het respectloze of zelfs gewelddadige gedrag waarmee ze worden geconfronteerd. Deze omstandigheden leiden tot een onveiligheidsgevoel en het idee niet welkom te zijn, waardoor zij bepaalde plekken of straten mijden en alternatieve routes kiezen om de stad te doorkruisen.
Los van de subjectieve beleving is de straat een plek van seksistisch en seksueel geweld, zowel op fysiek en verbaal als op socio-economisch en symbolisch vlak. Dit is geen mening, dit zijn keiharde cijfers: 2 : in België is 97% van de vrouwen onder de 34 jaar weleens lastiggevallen op straat. (source) Deze pijnlijke realiteit bepaalt en beperkt nog steeds hun mogelijkheden om de stad te gebruiken en zich er thuis te voelen. 2 In de uitzending van 5 februari 2026 van De afspraak (VRT) hielden Bart Schols en Soundos El Ahmadi een debat over de onveiligheid van vrouwen. Toen presentator Bart Schols zich hardop afvroeg of het probleem werkelijk zo ernstig was, reageerde Soundos El Ahmadi fel en ging ze met hem in discussie. ‘Wij zijn overal onveilig. Dit is geen mening. Dit zijn keiharde cijfers’, stelde ze.
De weinige maatregelen die de overheid heeft getroffen om gendergerelateerd geweld op straat tegen te gaan, hebben helaas nauwelijks echte of structurele veranderingen teweeggebracht. Sterker nog: ze hebben zelfs een averechts effect gehad. De toenemende inzet van surveillancemaatregelen in de publieke ruimte heeft aangetoond dat ze niet werken: politie en camera’s veranderen de sociale realiteit niet. Ze slagen er niet in de veiligheid werkelijk te vergroten – cameratoezicht draagt slechts bij aan de opheldering van ongeveer 1% van de zaken (source) – en versterken juist het onaangename gevoel van lichamelijke controle dat mensen van gemarginaliseerde genders op straat ervaren.
In de term ‘surveillance’ liggen de grenzen en logica van dit principe besloten: het voorvoegsel sur-, afgeleid van het Latijnse super (‘boven’), duidt zowel op een overmaat aan waakzaamheid als op de dominante positie van degenen die van bovenaf toekijken. Tegen dit idee, dat meer draait om controle dan om een veiligheidsgevoel, biedt het begrip ‘coveillance’ (wederzijdse waakzaamheid) – co- gaat terug op het Latijnse cum (‘met, samen met’) – een goed tegenwicht. Coveillance is niet alleen een concept, maar ook een essentieel instrument voor de ontwerppraktijk. Het dwingt ons om architectuur en stedenbouw te beschouwen als een fundament voor verbinding, een steunpilaar voor gemeenschappen en een drager van een sociale blik. Angst maakt plaats voor een gedeelde, collectieve en welwillende waakzaamheid met een horizontale blik. Op straat willen we vrij zijn, niet dapper. Vrij om te gaan en staan waar we willen.
Daarnaast leiden bepaalde beleidsmaatregelen op hun beurt tot geweld, doordat ze ingebed zijn in nauwelijks verhulde processen van stigmatisering en uitsluiting die vooral kwetsbare groepen treffen zoals daklozen, mensen met een verslavingsproblematiek, geracialiseerde groepen, migranten en vluchtelingen. Die hardheid wordt rechtstreeks zichtbaar in de gebouwde omgeving: op ontelbare plaatsen verhindert vijandig straatmeubilair dat daklozen publieke ruimte innemen. We moeten ons resoluut verzetten tegen zulke ongastvrije ontwerpen en optimisme cultiveren, want precies daarin vindt de egalitaire, feministische stad haar bestaansrecht. Welke wegen moeten we bewandelen om de straat door een genderbril te bekijken?
Het wegwerken van genderongelijkheid – in ruimtelijke zin, maar ook op andere niveaus – vraagt om een fundamentele verandering van ons samenleven. Deze noodzakelijke evolutie van ons denken en van de maatschappij moet een brug slaan tussen strategische doelstellingen en praktische behoeften. Terwijl we ons ideaal voor ogen houden – een stad gebouwd op gelijkheid, rechtvaardigheid en waardigheid – moeten we rekening houden met de materiële gevolgen van gendergedifferentieerde socialisatie. De combinatie van deze twee benaderingen is de hoeksteen van een radicale transformatie van onze plannings- en ontwerpinstrumenten: van symboliek tot infrastructuur, van mens tot materiaal, van onze verbeelding tot onze dagelijkse tactieken.
Om dit te bereiken doet genderbewuste stadsontwikkeling een beroep op de beleving, de gewoonten en de subjectieve ervaringen van vrouwen als gebruikers en bewoners. Dat is precies wat waardevolle participatieve diagnose-instrumenten zoals exploratieve stadswandelingen beogen. Deze ervaringsgerichte wandelingen zijn ontstaan in Toronto aan het eind van de jaren 1980 en maken het mogelijk om de publieke ruimte en de inrichting ervan te beoordelen vanuit een genderperspectief. De deelneemsters lopen door de straten en analyseren ze op basis van verschillende zintuiglijke criteria: zien/gezien worden, horen/gehoord worden, weten waar je bent/weten waar je heen gaat, kunnen vluchten en hulp kunnen krijgen, leven in een schone en gastvrije omgeving, en samen actie ondernemen.
Juist de architecten en stedenbouwkundigen geven deze zintuiglijke en haptische compositie van de stad vorm en zijn dus bij uitstek in staat om deze participatieve diagnoses om te zetten in architectonische oplossingen. Ze beschikken daartoe over een rijk instrumentarium: visuele verbindingen, vrije uitzichten, akoestisch en olfactorisch welzijn, oriëntatiepunten, bewegwijzering, symbolische representatie, kunst en publieke monumenten, het gevoel voor het collectieve, toe-eigening, de breedte van trottoirs, een netwerk van alternatieve routes, verlichting, functiemenging, tactiele materialen, comfortabel en inclusief straatmeubilair, openbare toiletten en lichamelijke bewegingsvrijheid. De opgave is kolossaal, maar tegelijkertijd onmiskenbaar noodzakelijk.
Ten slotte overstijgt de aandacht voor gender in de stad het schaalniveau van de straat. Dit opent nieuwe perspectieven, onderbouwd door solide theorieën en beproefd in de praktijk. We worden uitgedaagd om onze gebruikspatronen, onze tijdsindeling, onze rollen, structuren en ruimtes opnieuw vorm te geven. Om het binaire man-vrouwmodel te overstijgen en de gendernormen open te breken, moeten we de scheidslijn tussen de publieke en private ruimte laten vervagen en doorbreken. De straat en haar liminale ruimte, de drempel, vormen de hoekstenen van deze ruimtelijke en gendergerelateerde herconfiguraties en de bijbehorende ambiguïteiten en onderhandelingsprocessen. Als we de straat beschouwen als het verlengstuk van het eigen huis, dragen we ongetwijfeld bij aan het wegwerken van gendergrenzen en de daaruit voortvloeiende ongelijkheden. Deze noodzakelijke porositeit laat zich moeilijk rijmen met de wildgroei aan blinde plinten en de toenemende terugtrekking uit de publieke ruimte ten gunste van private binnenplaatsen. Door in te gaan tegen dit naar binnen keren en deze afzondering van de straat, en door publieke en private ruimtes in één continuüm met elkaar te verbinden, kunnen we de coveillance, het veiligheidsgevoel en uiteindelijk ook de solidariteit versterken.
Wanneer feministische activisten de straat op gaan en de slogan ‘Van wie is de straat? De straat is van ons!’ scanderen, wijzen ze op de kern van de zaak: de straat is een recht, een publiek goed, een ruimte van strijd en sociale overwinningen. Het is in de eerste plaats op en via de straat dat vrouwen stemrecht, financiële onafhankelijkheid, toegang tot onderwijs en lichamelijke zelfbeschikking hebben opgeëist. Nu deze sociale verworvenheden weer onder druk staan, is het urgenter dan ooit om ons deze bij uitstek politieke ruimte – de straat – (opnieuw) toe te eigenen.