Edito

Eline Dehullu – Hoofdredacteur

 

 

Op 16 september 2020 kondigde de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, tijdens haar State of the Union-toespraak de oprichting van het New European Bauhaus (NEB) aan, als cultureel en maatschappelijk luik van de Europese Green Deal. Daarmee beklemtoonde ze dat de ecologische transitie niet alleen een technisch of economisch project is, maar ook een culturele en sociale dimensie heeft. Het New European Bauhaus kreeg de slogan: Building Europe’s future: beautiful, sustainable, together.

Na decennialange afwezigheid in het architectuurdiscours plaatste de Europese Commissie schoonheid opnieuw centraal als eerste van drie kernwaarden. Daarmee rijst echter een fundamentele vraag: wat verstaan we precies onder schoonheid? Welke componenten liggen eraan ten grondslag? Wie bepaalt wat mooi is? Is er binnen Europa sprake van een gedeeld schoonheidsbegrip, of verschillen de opvattingen naargelang de tijd, plaats en cultuur? En in welke mate is ons idee van schoonheid tijdloos, dan wel aan verandering onderhevig?

Het NEB stelt dat beauty niet mag worden herleid tot esthetiek of de visuele aantrekkelijkheid van gebouwen. Met andere woorden, het is niet alleen een kwestie van een mooi gebouw of een fraaie gevel. Voor het NEB verwijst schoonheid naar ‘ruimtes die mensen graag gebruiken, die een rijke zintuiglijke ervaring bieden, verbonden zijn met cultuur, erfgoed en kunst, en bijdragen aan welzijn, waardigheid en een gevoel van thuishoren’.

Een architecturaal project is echter niet vanzelf mooi omdat het verrast, verwondert of verbluft; het moet volgens het NEB tegelijk ook duurzaam en inclusief zijn. In zijn visie ontstaat echte architecturale kwaliteit op het kruispunt van de drie kernwaarden: duurzaamheid (goed voor milieu en klimaat), inclusie (toegankelijk, betaalbaar en participatief) en schoonheid (betekenisvol, aangenaam en menselijk).

Schoonheid verwijst dus naar de kwaliteit van de leefomgeving als geheel. Voor architectuur en stedenbouw betekent dit dat schoonheid niet alleen in gebouwen schuilt, maar ook in de kwaliteit van de publieke ruimtes rondom, de sociale ontmoetingskansen die ze bieden, de mate waarin groen en natuur erin zijn opgenomen, de menselijke schaal en de culturele eigenheid ervan. Het NEB beschouwt schoonheid dan ook als een ervaring van levenskwaliteit: een plek is mooi wanneer mensen er graag verblijven, er anderen kunnen ontmoeten, zich ermee verbonden voelen én wanneer de plek in kwestie ecologisch verantwoord functioneert. Dat sluit aan bij een bredere Europese architectuurdiscussie waarin schoonheid niet als een autonome ontwerpwaarde wordt beschouwd, maar als een combinatie van esthetische kwaliteit, sociale rechtvaardigheid en ecologische verantwoordelijkheid.

Dat schoonheid vandaag opnieuw een plaats krijgt op de Europese agenda is zonder meer opmerkelijk. Toch roept de benadering van de Europese Commissie vragen op. Wordt schoonheid niet al te snel gekoppeld aan andere, beter meetbare waarden, zoals ecologie en inclusie? En biedt een omschrijving in termen als ‘betekenisvol, aangenaam en menselijk’ werkelijk meer houvast, wanneer ook die begrippen zich moeilijk laten afbakenen? Samen met Maarten Delbeke, medeauteur van Beauty in Architecture (Bloomsbury, 2025) en gastredacteur van dit A+-nummer over schoonheid in de architectuur, proberen we meer grip te krijgen op dit weerbarstige begrip. Een delicate, maar noodzakelijke oefening.

Schoonheid raakt immers aan verbeelding en empathie, vermogens die inherent menselijk en onvervangbaar blijven. In een tijdperk dat wordt gekenmerkt door efficiëntie, meetbaarheid en artificiële intelligentie herinnert schoonheid ons aan wat zich niet laat reduceren tot nut of rendement. Tijdens de opening van het New European Bauhaus Festival 2026 in Brussel omschreef Mikel Landabaso, directeur van de commissie, het zo: ‘AI can hallucinate, but cannot dream. Caring for beauty is therefore defending humanity.’