Schoonheid staat opnieuw op de agenda in het architectuurdebat. Dat is deels uit noodzaak. Architecturale schoonheid wordt door autoritaire regimes geassocieerd met de klassieke traditie en op die manier politiek geïnstrumentaliseerd, een tendens die de professionele wereld tot een reactie dwingt. Tegelijkertijd wordt de architectuurpraktijk ook onderworpen aan steeds stringentere eisen tot efficiëntie en optimalisatie. In die context is schoonheid een waarde die bijdraagt aan de maatschappelijke taak van de architectuur. Met andere woorden, schoonheid dient zich enerzijds aan als een vrijplaats waar architectuur haar bestaansrecht kan doen gelden, en anderzijds als een politiek strijdveld waar kwesties als traditie, canon, autoriteit, inclusie en engagement worden uitgeklaard.

Die spagaat maakt het spreken over schoonheid er niet eenvoudiger op, temeer omdat leken en architecten er anders tegenaan kijken. Hoe moeilijk architecten in de afgelopen decennia ook over schoonheid konden spreken, het publiek heeft steeds gretig schoonheidsoordelen omarmd. De debatten over de Stadshal (aka ‘Schaapstal) in Gent (Robbrecht en Daem – Marie José Van Hee, 2014) en het Steen in Antwerpen (noA, 2022), of de heisa rond de plannen van het Gravensteen in Gent zijn daar maar drie uitgesproken voorbeelden van.

Dit artikel verscheen in A+319, gepubliceerd op 28.09.2026.