Schoonheid is een veranderlijk begrip dat meebeweegt met de context, de tijdgeest en de blikken die haar vormgeven. Het hangt er maar net van af wie aan de scheppende en wie aan de ontvangende kant zit. Maar is schoonheid werkelijk blind voor politieke belangen? Dit artikel onderzoekt de dynamiek achter de definitie van architectonische schoonheid. Van Gehry’s collageachtige vormentaal tot de gevestigde culturele instellingen: wie bepaalt wat mooi is?
Frank Gehry’s buren dachten dat ze in een rustige, volstrekt normale woonwijk aan de Californische kust woonden. Maar wanneer ze in 1978 de nieuwe woning van hun kersverse buurman ontdekken, staat hun wereld op zijn kop. Het gerucht gaat dat hij architect is. Bekend is hij niet, en dat is niet zo vreemd als je afgaat op wat hij met zijn eigen huis heeft gedaan: de man heeft overduidelijk een bijzonder slechte smaak. Zijn huis is op zijn zachtst gezegd opmerkelijk, om niet te zeggen spuuglelijk. Aanvankelijk denken de buren dat het nog niet af is, dat het slechts een tussenfase is. Gehry heeft het bestaande vervallen huis namelijk ingepakt in een hoekige schil van golfplaat en hout, die door de buurt voor een schutting wordt aangezien. De goedkope bouwmaterialen staan in schril contrast met de mooie gestucte huizen in de omgeving.
Dit artikel verscheen in A+319, gepubliceerd op 28.09.2026.