In een tijd waarin architectuur steeds vaker wordt beoordeeld op haar impact op het milieu, verandert ook onze visie op schoonheid. Schoonheid wordt steeds minder gekoppeld aan de vorm alleen en steeds meer aan ethische aspecten en aan de herkomst van materialen, zoals blijkt uit de groeiende waardering voor natuurlijke en gerecyclede materialen. Deze ontwikkelingen vormen de basis voor een ethisch-esthetische praktijk die creatieve expressie verbindt met het bewustzijn van de morele implicaties ervan.
Bij architectuur is de materiaalkeuze nooit een louter technisch gegeven; ze is cultureel, politiek en ecologisch geladen. De indrukwekkende betonnen volumes van de brutalistische architectuur uit de jaren 1960 oefenen nog steeds een brede aantrekkingskracht uit, omdat ze erom bekendstaan democratische participatie en vernieuwende bouwtechnieken te omarmen. Toch voelt het vandaag de dag ongepast om volledig in beton te bouwen, gezien de onmiskenbaar negatieve impact van de betonproductie op het milieu en het gebrek aan mogelijkheden voor een tweede leven. Beton recyclen of hergebruiken is immers geen sinecure. Voor de natuurstenen gevelbekledingen en vloeren met hun verfijnde textuur die in de jaren 1990 royaal werden aangelegd, geldt hetzelfde: ze zijn niet langer economisch en ecologisch houdbaar. Maar ook onze esthetische waardering ervoor is in de afgelopen decennia veranderd onder invloed van een kritisch onderzoek naar materiaalstromen in de bouwsector. Inmiddels wordt algemeen erkend dat ‘de creatie van een landschap op de ene plek samenhangt met een transformatie elders’. Wat ooit een schoonheidsnorm was, is nu een symbool van onverschilligheid tegenover de klimaatcrisis.
Dit artikel verscheen in A+319, gepubliceerd op 28.09.2026.