Wanneer de Griekse epische dichter Homeros (ca. 800-750 v.o.j.) de dageraad ‘roze-vingerig’ noemt, of de Griekse dichter Stesichoros (ca. 630-555 v.o.j.) een rivier ‘wortel-zilver’, is het verleidelijk om die formuleringen te lezen als literair ornament, als de versiering die de epische stijl kenmerkt en die door de moderne lezer met een zekere afstand wordt benaderd.

Maar die lezing mist iets wezenlijks. Het epitheton maakte zichtbaar wat het object zelf – de dageraad, de rivier – niet kon laten zien: de textuur van de waarneming zelf. Dat onderscheid – tussen het object en zijn verschijning, tussen de naam en de gewaarwording – is niet alleen een filologische kwestie. Het raakt aan een probleem dat zich in het architectuurdebat hardnekkig voordoet telkens wanneer schoonheid ter sprake komt. Schoonheid functioneert daar doorgaans als eindterm: ze sluit een beoordeling af in plaats van een beschrijving te openen. Wat verloren gaat in die functie is precies wat het epitheton bewaart: de differentiatie van de ervaring, de specificiteit van het geraakt worden.

Dit artikel verscheen in A+319, gepubliceerd op 28.09.2026.