Het recht is niet meteen de discipline waarvan je verwacht dat die iets te zeggen heeft over de schoonheid van de gebouwde omgeving. Sommigen vinden het misschien niet wenselijk dat wetgevers hierover zeggenschap hebben en zullen aanvoeren dat dit bij uitstek het natuurlijke domein van architecten en de persoonlijke voorkeuren van hun opdrachtgevers moet blijven. In de Verenigde Staten erkende het Hooggerechtshof al in 1954, in het arrest Berman v. Parker, dat esthetische waarden deel uitmaken van het ‘algemeen welzijn’. Vanaf dat moment lag het ‘binnen de bevoegdheid van de wetgevende macht om te bepalen dat de gemeenschap niet alleen gezond, maar ook mooi moet zijn’.1 1 348 U.S. 26 (1954)
Ruimtelijke ordening is het meest voor de hand liggende rechtsgebied als het gaat om esthetische normen in de architectuur. In Vlaanderen erkent de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dat criteria die te maken hebben met de visuele en vormelijke aspecten van de (gebouwde) omgeving materiële motieven zijn, wat betekent dat ze meewegen bij de besluitvorming over concrete projecten.2 In sommige gevallen is de bevoegde overheid bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag zelfs verplicht om een esthetische toets te doen. Stedenbouwkundige verordeningen of ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen specifieke esthetische vereisten vastleggen, die soms zeer gedetailleerd zijn.3 Vaak is het echter de verplichte toetsing aan de ‘goede ruimtelijke ordening’ die aanleiding geeft tot een esthetische evaluatie. Esthetische bezwaren kunnen bijvoorbeeld worden gesignaleerd door adviesorganen,4 of door burgers tijdens het openbaar onderzoek. Daarnaast kunnen eisers de rechter ervan overtuigen dat een buurt een specifieke (esthetische) identiteit heeft. Dat kan volstaan om te oordelen dat de overheid verplicht rekening moet houden met de esthetiek van het voorgestelde project.5 2 Zie art. 4.3.1., §2, 1° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. 3 Artikel 4.3.1., §1, 1°, d) verplicht de bevoegde overheden om een omgevingsvergunning te weigeren als het bouwproject onverenigbaar is met een goede ruimtelijke ordening. Ze moeten dus in elk individueel geval een discretionaire beoordeling uitvoeren. Volgens artikel 4.3.1., §2, moet deze toets onder meer gebeuren aan de hand van criteria die betrekking hebben op visuele en formele elementen ‘voor zover ze noodzakelijk of relevant zijn’. 4 Zie bv. Bram De Smet, ‘De goede ruimtelijke ordening als criterium bij stedenbouwkundige vergunningen’ in Tijdschrift voor Omgevingsrecht en Omgevingsbeleid 2, nr. 1 (2013): 40. 5 RvVb 5 augustus 2014, nr. A/2014/0530.
Dit artikel verscheen in A+319, gepubliceerd op 28.09.2026.