Op 22 januari overleed Charles Vandenhove, een van de belangrijkste Belgische architecten van de 20ste eeuw. In de loop van zijn ruim 60-jarige praktijk bouwde hij gedreven en volhardend een markant oeuvre op. In weerwil van het naoorlogse functionalisme vatte hij de architectuur steeds op als een kunst, een eigentijdse beeldende kunst in continuïteit met de traditionele bouwkunst.
Afkomstig uit een familie van landbouwers in de Voerstreek, begon Charles Vandenhove zijn architectuurstudie in 1945 aan de Sint-Lucasschool van Luik, om ze in 1948 voort te zetten aan het Nationaal Instituut van Ter Kameren, waar hij in 1951 als primus afstudeerde bij Victor Bourgeois. Deze laatste beperkte zich niet zomaar tot projectonderwijs, maar gaf zijn studenten ook een overzicht van de westerse architectuurgeschiedenis. Hoewel Bourgeois bekendstond als het boegbeeld van het Belgisch modernisme, prentte hij zijn studenten geen modernistische stijl of doctrine in. Hij drukte ze op het hart dat “avant d’être un style, toute architecture est une façon de vivre, une méthode de penser, un humanisme”. Veeleer dan uit te gaan van vooropgezette ideeën kwam het erop aan “d’être nouveau tous les matins”.