Musea gelden al lange tijd als een heel prestigieuze opdracht voor een architect. Het zijn grote gebouwen, met dito budgetten die de ontwerper toelaten te schitteren. Bovendien is het, in het geval van het kunstmuseum, ook de plek bij uitstek waar de ‘moeder van alle kunsten’ zich met die kunsten verbindt. De vraag is of dat nog opgaat voor hedendaagse musea? Waar versterken gebouw, collectie en de praktijk van kunstenaars en curatoren elkaar? Waar staan ze elkaar in de weg? Welke bijdrage kan architectuur werkelijk leveren?
Voor alle duidelijkheid: een museum is een instelling die een eigen collectie beheert, bestudeert en tentoonstelt. Het typevoorbeeld zijn de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel. Indien er geen eigen collectie is, spreken we van een kunsthal of tentoonstellingsruimte, zoals Z33 in Hasselt [zie p. 34]. Dat is een wezenlijk verschil. Toch vervaagt dat verschil steeds meer, door een dubbele ontwikkeling. Die tekent zich vooral af in de kunstmusea, maar niet alleen daar.