In Parijs stond ooit een gigantische bronzen olifant. Althans, dat was het plan. Architect Charles Ribart ontwierp in 1758 een monument ter ere van Napoleons overwinningen in de vorm van deze huizenhoge olifant, compleet met balzaal, een ventilatiesysteem en sanitair, waarbij de slurf diende als waterafvoerleiding. Het gebouw moest het orgelpunt worden van Parijs’ mooiste laan, de Champs-Elysées, en het monumentale karakter van de stad in de verf zetten. Het ontwerp werd echter niet weerhouden en de Franse regering koos voor een klassiek archetype: de triomfboog.

Het beeld bleef echter nazinderen. Vijftig jaar later gaf Napoleon de opdracht aan architect Jean-Antoine Alavoine voor de bouw van een monument in de vorm van een 24 meter hoge olifant op de Place de la Bastille, op de plek van de beruchte gevangenis. Hier kwamen er trappen in de poten, een uitkijkpost op de rug en een fontein uit de slurf. In afwachting van het definitieve gebouw werd op de werf een maquette op ware grootte uit hout en gips opgesteld – een voorsmaakje van de impact en de grandeur van het bronzen monument. Zo ver kwam het echter nooit. Na politieke tegenslagen legde men het project stil en verkruimelde de gigantische gipsen olifant na enkele jaren tot een vergeten ruïne.