Waar kunnen kinderen vandaag spelen in de stad? Het is een probleem waarover ouders – helaas vooral moeders – zich het hoofd braken sinds scholen en crèches gesloten waren door de covid-crisis. Een van de dingen die zo aan het licht kwam, is dat onze steden nog steeds weinig rekening houden met de noden van hun jongere bevolking. Toch gaven belangrijke architecten als Aldo van Eyck en Le Corbusier al lang geleden het goede voorbeeld. Een kleine geschiedenis en enkele hoopgevende voorbeelden.
Je kunt geen boek over architectuur voor kinderen openslaan of dezelfde namen duiken op. Wat de pedagogie betreft zijn Wilhelm Fröbel, Jean Piaget en Maria Montessori vaste prik. Fröbel stelde al in de vroege negentiende eeuw dat kinderen geen miniatuurvolwassenen zijn, maar eigen denk- en handelwijzen hebben. Piaget werkte dat uit tot een ontwikkelingstheorie. Montessori koppelde er een onderwijsvorm aan en zocht als eerste ook naar aangepaste ruimtes voor kinderen.


Van Eyck en Le Corbusier
Toch werd ruimte voor kinderen pas een volwaardig architecturaal thema na WO II. Modernisten noch traditionalisten hadden tevoren, ondanks Piaget, veel oog voor architectuur of stedenbouw op kindermaat. Pas toen CIAM-architecten als Van Eyck of Le Corbusier zich op de kwestie wierpen, kwam die in de publieke aandacht. Dat hing zeker samen met de groeiende aandacht onder de jonge garde van CIAM voor de concrete mens in zijn concrete sociale context.
Als je over kinderspeelpleinen spreekt, kun je niet om Aldo van Eyck (1918–1999) heen, al was het maar omdat hij er vanaf 1947, op vraag van stadsbouwmeester Cornelis van Eesteren, zowat 700 ontwierp in Amsterdam. Die speelplaatsen zetten een standaard die tot vandaag geldt, omdat hij zich zo intens inleefde in de wereld van kinderen1. 1 Strauven, F. Aldo van Eyck – The Shape of Relativity. Architectura & Natura Press, 1998.
Volgens Van Eyck ontdekken en ontwikkelen kinderen al spelend hun sluimerende vermogens. Daarbij komen ze onvermijdelijk in conflict met hun omgeving. ‘Het (kind) richt schade aan en wordt geschaad’, zo citeert Ligtelijn de architect.2 Kinderen mogen voor hem de boel op stelten zetten en mogen zich een buil vallen. 2 Ligtelijn, V. Aldo van Eyck – ‘Werken’, Thoth, 1999.
Van Eyck ontwikkelde voor zijn speelpleinen een basisrepertoire van materialen, vormen en elementen. Zo waren er de springschijven, verhoogde plateaus die kinderen uitdagen om van schijf naar schijf te springen. Hij bedacht ook basaltachtige rotsformaties en klimbogen, stalen constructies om in en op te klauteren. Ze werden in heel Europa geïmiteerd. En natuurlijk waren er ook zandbakken en af en toe een boom of een haag.
Van Eyck was niet de enige die zich het lot van het kind in de stad aantrok. De crèche en het speelpleintje met plonsbad die Le Corbusier bedacht voor het dak van de ‘Unité d’Habitation’ in Marseille zijn onvergetelijk door het speelse arrangement van muurtjes en verhoogjes in levendige kleuren, tegen de machtige achtergrond van de bergen en de zee.
Recente voorbeelden
Het is verrassend dat de erfenis van voorlopers als Van Eyck nog springlevend is bij geslaagde voorbeelden van speelpleinen voor kinderen vandaag. Een mooi voorbeeld is de ‘maillage ludique’ van Suède 36 in Sint-Gillis (Brussel). De middenberm van een woonstraat is er afgebakend met betonnen zitbanken. Daartussen een golvend, felrood terrein in een zacht materiaal. Door de hoogste bobbel loopt een tunnel. Een avontuurlijk landschap voor kinderen, met klimtuigen op de koop toe. Je ziet zo hoe moeders er hun kinderen naartoe brengen terwijl ze zelf een praatje slaan en een oogje in het zeil houden. Voor de oudere kinderen is er rondom de bankjes een bestrating in grote tegels in verschillende tinten grijs. Het patroon nodigt uit tot hink-stap-springen. Alleen voor tieners is hier weinig… Dat blijft doorgaans een vergeten groep.

Een uitzondering zijn de pleintjes die Grue ontwierp in hartje Etterbeek, vlak bij het Jourdanplein. Een hoek ervan richt zich tot jonge kinderen en hun ouders. Roze betonnen zitbanken zomen een avontuurlijk hellend terrein rondom een plataan af. Koningsblauwe klimtuigen verdringen zich rond de boom. Kinderen kunnen er zich, in de geest van Van Eyck, lekker een buil vallen. Maar Grue maakte ook plaats voor andere leeftijden, zoals ‘hangjongeren’. Die vinden hier vast een plek in een van de vele groene en verharde hoekjes, met die leuke betonnen zitjes van Gregory Lacoua.

De klimaatspeelplaats Terbank van Plusoffice in Heverlee laat kinderen ook rollebollen zoals Van Eyck het zag, maar bant verharding van de ondergrond radicaal uit. Hier heerst de grasmat. Dat is geen kwestie van blutsen en builen vermijden: gras en aarde helpen mee om Leuven te ontharden. Een heel verschil met de stenen pleinen van Van Eyck, maar die had zich dan ook geen zorgen te maken over waterspiegels en verwoestijning.

Wat al die pleintjes gemeen hebben is hun krachtige vormgeving. Hun grillige landschap prikkelt de verbeelding van het kind. Maar die grilligheid is schijn: de pleintjes passen zich precies in hun context in met een sober palet van materialen. Daarin blijft de geest van Van Eyck en Le Corbusier aanwezig. De recente coronacrisis bevestigde ook Van Eycks inzicht dat speelpleinen geen detail zijn, maar een majeure architecturale opgave. Ze helpen om sociaal weefsel te maken en te versterken. Het zijn sociale condensatoren. Die kunnen we best gebruiken in tijden van nood. Toch zijn ze nog steeds geen verplicht onderdeel van een stedenbouwkundig plan, in tegenstelling tot pakweg voorzieningen voor mensen met een beperking.

Overigens blijkt in dit nummer dat het paradigma van Van Eyck lang niet uitgeput is. Een eclatant voorbeeld daarvan is de kleuter- en basisschool annex sporthal ‘Melopee’ van XDGA aan de Schipperskaai langs de Oude Dokken in Gent. Het beperkte terrein en het zware programma verplichtte de architecten om te woekeren met ruimte. Het resultaat: een speelplein in 3D, opgehangen in een raster van stalen balken en kolommen dat aansluit bij het schoolgebouw.
Nieuwe spelmogelijkheden levert dat niet op, maar het maakt de spelervaring wel intenser. Het bouwsel zelf is een mega klimrek, met nieuwe verrassingen op elk niveau. Een eerste tussenniveau verbindt de refter van de school met het speelplein op de begane grond, niet alleen met trappen, maar ook met zes (!) parallelle glijbanen. Op een tussenniveau zakt een ronde kuip met bankjes door de vloer. Een slingerende weg voert van daar tussen plantenborders naar een volgend niveau waar een grillig ‘kasteel’ de kinderen opwacht. En dan zijn er trappen verder naar boven, naar de sportzaal.
De intensiteit ontstaat echter vooral uit het feit dat de kinderen altijd en overal zicht hebben op de buitenwereld van grote mensen, op hun toekomst. Ze zien de oude dokken, ze zien het publieke wandelpad dat tussen het speelplein en het schoolgebouw doorloopt op begane grond, en ze zien het buitensportveld voor volwassenen dat aansluit op de sporthal op de bovenste etage. Het speelplein biedt zo letterlijk een perspectief op de wereld en de toekomst. Dat is uniek.