In België kan het bijzonder nat zijn, maar we worden sinds enkele jaren toch met ernstige watertekorten geconfronteerd. Op de Europese waterstressindex staat Vlaanderen zelfs bovenaan de lijst, samen met Zuid-Italië en Portugal. Het probleem is niet zozeer dat het te weinig regent, maar wel hoe we ermee omgaan.
Daar zijn meerdere verklaringen voor – zowel geografische, geologische als historische. In eerste instantie is er de specifieke geografische ligging van de Rijn-Maas-Scheldedelta. De Schelde heeft het kleinste afstroomgebied van de rivierdelta en een open verbinding met de Noordzee. Door de eb-en-vloedwerking wordt het zoute zeewater diep het binnenland ingestuwd, waar het zich vermengt met het zoete water van de uitstromende rivieren. De brakke watercondities die hierdoor ontstaan zijn ongeschikt voor watervoorziening. De grote internationale rivieren Maas en Rijn stromen met een grote boog om Vlaanderen heen alvorens in de Noordzee uit te monden. Ter hoogte van Luik wordt massaal water aan de Maas onttrokken. Hiermee wordt 40 procent van de Vlaamse huishoudens van drinkwater voorzien. Daarbij functioneert het Albertkanaal als een langgerekt rietje dat het Maaswater doorsluist naar het waterproductiestation in Oelegem, om van daaruit verder door te pompen richting Oost- en West-Vlaanderen. De ernstig dalende waterpeilen van de Maas en de Rijn in de zomerperiode zet het toekomstig gebruik van rivierwater als bron van drinkwaterproductie zwaar onder druk.