Wie zich door Nevelstad Vlaanderen beweegt, ziet overal dezelfde generieke appartementsgebouwen verschijnen. De overdaad aan banale projecten versterkt het alomtegenwoordige gevoel van isotropie. Heel af en toe zit in die brij een verrassend project dat het meervoudige wonen eleganter oplost, vaak vanwege randvoorwaarden als een complexe locatie of een gebouw met erfgoedwaarde. Maar de echt goede voorbeelden blijven schaars. De souplesse lijkt vaak te ontbreken om te ontwerpen voor een dorpse context, terwijl die juist zo kwetsbaar is. Hoe kan een taal voor kwalitatieve dorpsarchitectuur ontwikkeld worden?
Dat het ene dorp het andere niet is, mag dan wel klinken als een evidentie, uit gesprekken met ontwerpers en projectontwikkelaars blijkt nog al te vaak dat dorpen over dezelfde kam worden geschoren. Keer op keer valt de term ‘verdichting’ en worden bijna achteloos grootschalige stedelijke figuren op het dorpsweefsel geprojecteerd, alsof elk dorp überhaupt aan verdichting zou moeten doen. Als we spreken over dorpen, dan bedoelen we het hele scala van dorpen: het krimpende gehucht of kerkdorp, het dorp met knooppuntwaarde en ontwikkelingskansen, het autonome, levendige dorp met weinig knooppuntwaarde, en ook het sinds lang verstedelijkte dorp. Juist die contextuele gevoeligheid is essentieel. Het aansluiten bij het dorpse karakter, het zorgvuldig inpassen in de omgeving, herkenbaarheid en vertrouwdheid blijken cruciale uitgangspunten voor kwalitatieve dorpsarchitectuur.1 1 Dat bleek onder meer uit de workshop ‘Dorpsarchitectuur: vocabularium en instrumentarium’ die plaatsvond op woensdag 11 december 2019 in Malle als deel van het Kempenlab Dorpsarchitectuur, een initiatief van Ar-tur. In deze werksessie vroegen we aan 75 deelnemers – ontwerpers, omgevingsambtenaren, erfgoeddeskundigen, Gecoroleden en andere experts – wat architectuur in dorpen geslaagd maakt en verkenden we beleidsinstrumenten die aansturen op goede dorpsarchitectuur.