Vorig jaar opende in Lampernisse de eerste urnenkerk van Vlaanderen, een reconversieproject van architecten Dhooge en Meganck. Het idee om van een kerk een contemplatieoord te maken dat elke dag voor iedereen openstaat, ontstond meer dan tien jaar geleden. Het project is een manifest, alleen al maar omdat het een gebouw een andere fundamentele zingeving wil geven: het creëren van een materiële en ruimtelijke constructie van de dood. Het erkennen ook van de dood als een emotioneel fenomeen, en het dode lichaam als een esthetische en materiële ervaring.

In de oneindige vlakke Vlaamse horizon zijn torenspitsen geruststellende oriëntatiepunten die met de regelmaat van een uur wandelen van elkaar verwijderd liggen. Deze ervaring, waar tijd en beweging samenvallen met een ruimtelijkheid die de onmetelijke landschappelijke schaal organisch aan plekken van menselijke nabijheid koppelt, maakt een onderdeel uit van de benadering van het stiltedorp Lampernisse. Omringd door een kerkhof en knotlinden en omzoomd door een lage muur ligt de voormalige Heilige Kruisverheffingskerk. Met haar imposante westtoren met steunberen en kruising tussen een pseudobasilicaal vroeggotisch schip en een driebeukige hallenkerk gaat ze terug tot de dertiende eeuw.