Overmaat. Het woord bevat de hele essentie. Er is te veel. Te veel volume, te veel ruimte, te veel structuur, kortom: de maat is te groot.

Bij hergebruik van gebouwen krijg je steevast een confrontatie tussen programma en ruimte die botst, nooit past. Plafonds blijken te laag, de trappen liggen slecht, er zijn te weinig ramen, of te veel, die sowieso nooit op de juiste plek staan. Overmaat lijkt het probleem nog erger te maken. Hergebruik van heel grote gebouwen – voormalige fabrieksruimtes, postsorteercentra, expohallen, garages – stelt ons meteen voor een economisch en ecologisch vraagstuk. Want waar vind je het budget voor de renovatie en de aanpassing aan de huidige normen van duizenden kubieke meters leegstand? En moeten we die echt allemaal gaan isoleren? Benoît Vandenbulcke en Harold Fallon zien in het hergebruik van overmaatse gebouwen, gezien de actuele context van recessie en degrowth, juist brandend actuele mogelijkheden: “Hoe kun je meer doen met minder? (…) Overmaat maakt speelruimte vrij en nodigt uit tot andere vormen van ruimtegebruik. Het is een programmatorische opportuniteit, een aanleiding om zich de ruimte anders toe te eigenen.” Een goed voorbeeld hiervan is de aanpak van de centrale ateliers in Seraing door Baumans-Deffet architectes. Deze voormalige werkplaatsen werden tot circulatiehub getransformeerd, waarbij een garage aansluiting vindt bij een publiek plein en een evenementenhal. De industriële schaal geeft hier aanleiding tot extra kwaliteit.