Stilte is breekbaar, zo wil de overlevering. Zodra je haar naam uitspreekt, verdwijnt ze. Stilte-architectuur is een contradictio in terminis: een robuuste, onverplaatsbare structuur die het ongrijpbare zou moeten huisvesten. Toch bestaat ze, de stilteplek. Intuïtief wordt ze vaak in verband gebracht met religie: een plek om je terug te trekken en in stilte te bidden of na te denken. Toch was een kerk traditi-oneel een levendig huis vol lawaai. Pas sinds de oprukkende secularisering van onze westerse maatschappij en de bijbehorende leegloop van de kerken, moeten we het doen zonder de donderpreken, galmende orgels, knapenkoren, jubelgezang en biddende massa’s.
Stilte in de architectuur is echter meer dan de afwezigheid van lawaai. Ze ligt vervat in de architectuurtaal van een gebouw, in de manier waarop het architectonisch vocabularium wordt ingezet, in het broze evenwicht tussen de ruimtelijke verhoudingen, materiaalgebruik en lichtinval. Sommige programma’s lijken daarom meer aanleiding te geven tot een specifieke architectuurtaal. Sacrale architectuur, gedenkplaatsen, crematoria en begraafplaatsen zijn stuk voor stuk plekken die de mens geborgenheid bieden op een ingrijpend moment in zijn of haar bestaan. Momenten waarop we ons bewust zijn van de vergankelijkheid en breekbaarheid van het leven, van de verhouding tussen de tijd en de geschiedenis.