Kerken en kloosters lopen leeg en sluiten hun deuren. Heeft onze geseculariseerde maatschappij dan geen behoefte meer aan stilteplekken? De taal van de stilte lijkt bijna een taal die we door de generaties heen steeds minder zijn gaan spreken. Er duiken echter nieuwe typologieën op die dichter staan bij eenhedendaagse vorm van verstilling. Hoe vertaalt dat zich in het vocabularium van de architect?
Schrijven over stilte in de architectuurtaal, laat staan erover spreken, draagt een zekere paradox in zich. Het doet denken aan het raadsel dat acteur Roberto Benigni in zijn rol als Guido Orefice opwerpt in de film La vita è bella: ‘Als je mijn naam noemt, ben ik er niet meer. Wie ben ik?’ ‘De stilte’. Het vraagt om een ontwerp dat stilte toelaat, eerder dan het dwingend op te zoeken. Wanneer je je door stilte wenst te omringen, zou je in eerste instantie geneigd zijn ver weg van bebouwing te trekken, de wijde natuur in. De ongerepte natuur liefst nog, waar elke ingreep van menselijke aard vervalt. Hoe verhoudt architectuur zich hiertoe? De Wooden Chapel van John Pawson zet een eerste verzoenende stap. Die kapel bestaat uit ruwe, op elkaar gestapelde boomstammen, met slechts een deuropening en een raam vanwaaruit je het omliggende landschap kunt aanschouwen. Een plaats om je even terug te trekken en te reflecteren. Dit inwaartse gebaar lijkt van belang.