Zoals Bruno Latour en Albena Yaneva ooit schreven, is het probleem met gebouwen dat ze zo wanhopig onbeweeglijk lijken. Terwijl iedereen weet – en architecten nog het meest – dat een gebouw geen statisch object is, maar een bewegend project. Het gebouw is een moment opname, dat werd voorafgegaan door eindeloze variaties en alternatieve ontwerpvoorstellen, en na oplevering wordt gevolgd door een proces van gebruik, verbouwing en afbraak. Twee recente projecten van noAarchitecten – het Gruuthusemuseum in Brugge en de Stadscampus van de Universiteit Hasselt – bieden een inkijk in de complexiteit van het ontwerpproces en de rol die architecten daarin spelen.

Wanneer we gebouwen bekijken op de pagina’s van architectuurtijdschriften of in lichtgevende pixels op een scherm, zien we doorgaans vooral het beeld van een gefixeerde vorm. Zo wordt het werk van een architect bijna uitsluitend beoordeeld op basis van het gebouwde, handig vergetend dat een veelvoud aan partijen – opdrachtgevers, aannemers, bewoners, politici – mee de beslissingen neemt.