Het winnen van nieuwe publieke ruimte in restzones van de stad staat garant voor unieke beelden. Het gaat dan vaak om voormalige industrieterreinen, verlaten kades of spoorbeddingen. In mijn eigen thuisstad Brussel denk ik aan de recente opening van het Pannenhuispark langs een bovengrondse metrolijn en MolenWest naast het Weststation. Er zijn wellicht geen betere voorbeelden van de domesticatie van de publieke ruimte te vinden. Rommelige zones worden met de grootste zorg ingericht en keurig onderhouden. Het zijn de nieuwe longen die de stadsbewoners ademruimte geven en de nieuwe attractiepool van de buurt vormen.
De nieuwe publieke ruimte kun je evenwel niet los zien van een desinteresse in de grootste netto oppervlakte aan publieke ruimte: de straat. Het is de publieke ruimte die aan ieders voordeur begint, maar als loutere infrastructuur onzichtbaar en ongedacht blijft. De ontwerpaandacht die naar een park of plein gaat, is omgekeerd evenredig aan de nonchalance waarmee de straat wordt ingericht.