Het ging allemaal zo snel. Vijftien jaar geleden was duurzaamheid nog geen topprioriteit in Brussel. Maar sindsdien heeft de ene drastische beleidsbeslissing na de andere het tij gekeerd. De eerste stap was de verplichting om vanaf 2015 passief te bouwen. Dit werd gevolgd door het inzicht dat duurzaamheid ook een goede leefomgeving, werkgelegenheid voor iedereen en minder verkeer vereist. Deze kwesties hangen nauw samen met onze consumptie- en productiepatronen, en dus met de stroom van materialen en goederen. Sinds maart 2016 zet het Regionaal Programma voor een Circulaire Economie 1 zich ingezet voor een koerswijziging in deze richting. Prijzen voor voorbeeldgebouwen wijzen de weg. 1 Het Regionaal Programma voor een Circulaire Economie is een samenwerking tussen Brussel Milieu, Urban.Brussels en de Architect van de Brusselse Regering.

Sinds 2007 kan iedereen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest meedingen naar de titel van „voorbeeldgebouw“. Vier criteria speelden daarbij een rol: energie-efficiëntie en hernieuwbaarheid, milieu-impact, haalbaarheid en reproduceerbaarheid, en architecturale en stedenbouwkundige kwaliteit. De reden lag voor de hand: in 2007 waren gebouwen nog steeds verantwoordelijk voor 72 procent van de CO₂-uitstoot, terwijl het vervoer ‘slechts’ 23 procent voor zijn rekening nam. Met 4 procent waren de industriële emissies bijna verwaarloosbaar. Als het Gewest tegen 2030 klimaatneutraal wilde zijn, moest het gebouwde erfgoed worden aangepast. Dit beleid bleek succesvol: passiefgebouwen zijn niet langer de uitzondering, maar de norm, zowel voor woon- als kantoorgebouwen.