In de naam van de stad hoor je het nog: Brussel – Broek-zele – ontstond als ‘nederzetting bij het moeras’. De zompige grond onder de straten van onze hoofdstad wordt veroorzaakt door honderden bronnen die in het Hoofdstedelijk Gewest opborrelen, en die de vele waterlopen in het Zennebekken (de Woluwe, de Maalbeek, de Molenbeek,…) voeden. Los van de plaatsnamen is van dit waterrijke landschap weinig te merken in het straatbeeld. De geschiedenis van de urbanisering van het Gewest is ook een geschiedenis van het afdekken of droogleggen van de onderliggende natuurlijke rijkdom, en wie vandaag te horen krijgt dat onder zijn voeten nog steeds bronwater stroomt, zal vreemd opkijken.
Dat is niet zo verwonderlijk. Vanaf de 19de eeuw verdwijnen met de aanleg van het gemengde rioleringssysteem steeds meer bronnen rechtstreeks in de riolering. Als ‘parasitair water’1 zorgt het bronwater voor een hogere belasting van de riolering (bij droog weer ongeveer 120.000 m2 per dag in de winter, ongeveer 40.000 m2 per dag in de zomer), wat bij intense regenbuien voor meer overstorten zorgt. Daarnaast verdunt het relatief zuivere bronwater het afvalwater, waardoor de waterzuiveringsinstallaties minder efficiënt kunnen werken. En ten slotte is het ook verspilling van grondstoffen – het is water dat perfect gebruikt kan worden. 1 ‘Parasitair water’ omvat naast bronwater ook rivierwater dat in de riolering terechtkomt, doorsijpelend grondwater en onttrekkingswater.