Architectuur kan wel degelijk de basis vormen van nieuwe zorgrelaties, weg van de onverschillige logica van de typische ziekenhuiscomplexen. Hieronder beschrijven we drie bestaande modellen die elk op hun eigen manier aantonen hoe innovatieve zorgrelaties hand in hand gaan met al even innovatieve architectuur.
De kwaliteit van zorgarchitectuur moet afgemeten worden aan de mate waarin ze een antwoord biedt op ‘het beddenhuis’. Het neologisme is een samentrekking van bed, als financieringseenheid in de zorg, en ziekenhuis.1 We spreken dan over de typische ziekenhuiscomplexen waarin de vormgeving een letterlijke vertaling is van het aantal beschikbare ‘bedden’, d.i. de rekeneenheid voor overheidsfinanciering in de zorgsector. Het resultaat is een typologie van serieel geschikte kamers in aan elkaar geknoopte gangen. De typologie druppelt neer vanuit algemene ziekenhuizen op zowat alle bouwprogramma’s in zorg en welzijn. Het doet er eventjes niet toe of patiënten al dan niet bedlegerig zijn. Het doet er niet toe of toezicht überhaupt nodig is. De onverschillige logica van het beddenhuis zet zich in rechte lijn door naar de omgeving, waarmee ze nauwelijks uitstaans heeft. 1 De pejoratieve term werd gebruikt in gesprekken met artsen, personeel en patiënten in karus. Zie: Gideon Boie, ‘Adieu aan het beddenhuis’, Psyche 31(4), 2019.