Toen meer dan 52 jaar geleden mijn zoon met een mentale beperking werd geboren, wist ik dat ik hem een goed leven zou geven, dat hij gelukkig zou worden en dat mensen hem mooi zouden vinden. Ik bezocht voorzieningen van toen en zag ‘bewaarplaatsen’ en niet echt blije kinderen en volwassenen. Het was ook de tijd dat mijn man en ik een eigen huis wilden bouwen; het zou open zijn, zonder veel muren, met ruimtes waarin we leefden, werkten, kookten, en waarin we onze kinderen gelukkig wilden zien opgroeien. Het werden er vier.

Intussen groeide de idee om een kortverblijfcentrum te bouwen voor kinderen en volwassenen met een mentale beperking. En zoals we zelf woonden, zouden we ook (in tegenstelling tot de beddenhuizen van toen, met slaapzalen en bewakingszalen voor telkens een veertigtal ‘gasten’ en één of twee begeleiders – zeg maar bewakers) huizen bouwen voor ‘onze gasten’ met een woonkamer, een open keuken, een zithoek en twee slaapkamers voor telkens zeven gasten.