Edito

Eline Dehullu – Hoofdredacteur

 

‘Wij ontwerpen nooit voor een programma; voor ons is het programma slechts een excuus om een bouwwerk te definiëren dat kan evolueren. Gebouwen blijven bestaan omdat ze de tand des tijds trotseren, maar ook omdat ze nieuwe functies kunnen op­­nemen. We bouwen wat moet blijven en creëren voorwaarden voor wat kan veranderen.’ De befaamde Portugese architect Manuel Aires Mateus reflecteert op wat flexibiliteit in de architectuur voor hem betekent. ‘Ware ecologische kwaliteit ligt in de combinatie van duurzaamheid en aanpasbaarheid.’

Gebouwen die het vermogen hebben om zich aan te passen aan nieuwe functies, veranderende gebruikers en maatschappelijke evoluties hebben een langere levensduur. In de zoektocht naar duurzaamheid is het dan ook niet verwonderlijk dat het ‘flexibele ontwerp’ aan een ware opmars bezig is. De term wordt gretig gebruikt door zowel architecten in wedstrijdvoorstellen als door projectontwikkelaars in verkoopcampagnes. Maar wat wordt er nu precies mee bedoeld?

Flexibele architectuur is geen nieuw concept in de architectuurgeschiedenis. In de jaren 1920 introduceerde Le Corbusier met zijn ‘vrije plan’ en ‘verlichte vloeren’ al het idee dat een gebouw in de loop der tijd wezenlijk kon veranderen. Het was echter pas in de jaren 1960 en 1970, op het moment dat het modernistische gedachtegoed ter discussie werd gesteld, dat flexibiliteit zich een weg baande in de architectuur en het discours errond (Michael Bianchi en Xavier Van Rooyen). In Japan ontstond toen de metabolistische architectuur, gericht op flexibiliteit door gebouwen te ontwerpen als groeiende, aanpasbare organismen. In Nederland worden Aldo van Eyck en Herman Hertzberger in die jaren gezien als voortrekkers én critici van het concept. In Frankrijk verrees met het Centre Pompidou van Richard Rogers en Renzo Piano in Parijs hét bouwwerk dat het idee van flexibiliteit belichaamt (Carla Frick-Cloupet).

Zowel toen als nu blijkt flexibiliteit in de architectuur veel­belovend en aanvechtbaar tegelijk. De eerste reden daarvoor is waarschijnlijk dat de term op zich dubieus is en daardoor ook heel verschillende vormen kan aannemen. Alle bijdragers aan dit nummer trachten het begrip te conceptualiseren door te zoeken naar precieze definities en een passende terminologie om het te duiden en er inhoudelijk vat op te krijgen. Des te opmerkelijker is het dat ze in hun onderzoek, onafhankelijk van elkaar, tot nagenoeg dezelfde conclusie komen. Of het nu gaat om sociale huisvestingsprojecten (Élodie Degavre en Gilles Debrun) of om publieke gebouwen zoals scholen (Guillaume Vanneste), om recent gerealiseerde projecten (Louis De Mey) dan wel historische voorbeelden (Christophe Van Gerrewey), flexibiliteit manifesteert zich volgens hen in drie grote benaderingen.

De eerste is die van tijdelijkheid, verschuifbaarheid en verplaatsbaarheid. De tweede strategie draait om lichte structuren, moduleerbaarheid en uitbreidbaarheid. De derde interpretatie gaat, paradoxaal genoeg, juist over zwaarte, stevigheid en standvastigheid.

De laatste opvatting brengt de ‘intelligente ruïne’ van de betreurde architect en eerste Vlaams Bouwmeester bOb Van Reeth (1943-2025) in herinnering. Hij bedacht dit begrip – waarschijnlijk niet toevallig – in diezelfde jaren 1970; een gebouw hoefde volgens hem niet meer te zijn dan een ruwe, robuuste structuur die kon worden aangepast aan de eisen van de opdrachtgever en de tijd. Recente projecten van hedendaagse architecten zoals Xaveer De Geyter (XDGA) en Adrien Verschuere (Baukunst) grijpen haast onvoorwaardelijk terug naar dit concept. Toch zijn er valkuilen. Want vaak staat deze interpretatie van flexibiliteit gelijk aan het bewust overdimensioneren van de structuur, opdat het gebouw toekomstige programma’s zou kunnen dragen. Die overmaat – niet alleen aan ruimte, maar ook aan draagkracht en overspanning – kan leiden tot een grotere materiaalontginning en -kost, wat dan weer haaks staat op de duurzaamheids­gedachte. En dat niet alleen. Met de ‘intelligente ruïnes’ verschijnt ook een andersoortige esthetiek: gebouwen die alles kunnen maar niet echt zijn, zien er vaak onuitgesproken en generisch uit. Ze zijn tegelijkertijd ‘lucide en illusieloos’, besluit Van Gerrewey.

De belofte van aanpasbaarheid mag dan op financiële, technische, esthetische en maatschappelijke grenzen botsen, toch schuilt er schoonheid in het idee. Flexibiliteit omarmt immers leegte, onzekerheid en nederigheid. Dat is misschien haar grootste waarde. Niet als dogma, maar als uitnodiging om architectuur te zien als een open verhaal, dat zich laat herschrijven door tijd, gebruik en context. Manuel Aires Mateus verwoordt het zo: ‘Wij ontwerpen niet voor het moment van ingebruikname; we leggen regels vast die het eerste hoofdstuk vormen van een veel langer verhaal. Zo blijft het gebouw ons altijd een beetje voor, wachtend om te worden ontdekt door zijn toekomstige bewoners.’

Table of contents

ULTRA+ FLEXIBILITY

 

Edito – Tijd als ontwerpparameter

Eline Dehullu

 

Anticiperen op het onbestemde

Louis De Mey

 

De tijd bewonen

Gilles Debrun en Élodie Degavre

 

Verlichte vloeren

Christophe Van Gerrewey

 

De horizontale flexibiliteit van Beaubourg

Carla Frick-Cloupet

 

Vrije onderwijsmethoden, volgzame ruimtes

Guillaume Vanneste

 

Wonen in vergankelijkheid en singulariteit

Michael Bianchi en Xavier Van Rooyen

 

Opinie – Een denkbeeldige ontmoeting

Sophie Delhay

 

PROJECTEN

 

Delmulle Delmulle

Hopspot Beer Brewery, Evergem

 

51N4E

Tous Ensemble, Uccle

 

Tank

Carré Janson, Tournai

 

Havana

Navigo, Oostduinkerke

 

Central

Place Destrée, Charleroi

 

URA

Uitkijktoren, Gent

 

BC Architects

Woodstock, Ardennes

 

INTERVIEW

Aires Mateus

Dominique Pieters

 

WEDSTRIJD

Open Oproep Plein 4, Courtrai

Pieter T’Jonck