Als wij architecten verschillende materialen samenbrengen tot componenten en verbindingen, ontwerpen we niet alleen de verhouding tussen deze materialen, maar ook die tussen onszelf en de gebruikers van de gecreëerde ruimtes en structuren. We bepalen in hoeverre we onze zeggenschap delen en geven anderen daarmee wel of niet de mogelijkheid om het ontwerp in de toekomst te begrijpen, aan te passen, te herstellen of te demonteren.

Details kunnen doelbewust zo worden ontworpen dat ze informatie over de constructie verhullen, waardoor architectuur iets mysterieus en abstracts krijgt. Mensen kunnen deze ruimtes
dan wel gebruiken, maar krijgen niet de kans om ze te veran­deren. Doordat ze niet weten welk gereedschap ze daarvoor moeten gebruiken, nemen ze hun toevlucht tot afbraak of tot
de hulp van een specialist, wat hen uiteindelijk beperkt in hun handelingsvrijheid.

Omgekeerd kan het ontwerp van een constructiedetail of verbinding ook het maakproces blootleggen en zo gebruikers uitnodigen om in te grijpen en betrokken te raken. Een oppervlak met zichtbare bevestigingen geeft bijvoorbeeld informatie prijs over de onderliggende constructie en maakt duidelijk welk gereedschap nodig is voor een reparatie, aanpassing of demontage. De grootte en samenstelling van de onderdelen bepalen hoe gemakkelijk een structuur kan worden hersteld of uit elkaar gehaald.

Dit complexe samenspel van sociale en ecologische over­wegingen wordt benadrukt door theoretici als de Amerikaans schrijver Stewart Brand, die betoogde dat onderdelen en details, met het oog op de aanpasbaarheid, gecategoriseerd moeten worden op basis van hun veranderingssnelheid en levensduur. Daardoor kunnen gebruikers structuren gaandeweg aanpassen aan hun veranderende behoeften, wat een co-evolutief proces op gang brengt.

Los van vernaculaire of pre-industriële bouwpraktijken biedt de architectuurgeschiedenis tal van inspirerende voorbeelden van details waarin uiteenlopende machtsverhoudingen tussen ontwerpers en gebruikers tot uiting komen. Hoewel deze stuk voor stuk een vorm van vrijheid voor toekomstige aanpassingen uitdrukken en beloven, varieert zowel de mate van zeggenschap van de architect als het democratisch potentieel aanzienlijk.

Hoogtechnologische architectuurprojecten, zoals die van Jean Prouvé en Renzo Piano, bevatten details en volledige gebouwdelen die zijn ontworpen om te worden gedemonteerd of verplaatst. Ondanks deze flexibiliteitsbelofte blijven deze details steeds deel uitmaken van een specifiek, door de architect ontworpen systeem. In de dagelijkse praktijk is gebleken dat het kennisniveau en het gespecialiseerde gereedschap die nodig zijn om de constructies aan
te passen, te complex zijn, zelfs voor profes­sionals.

Aan de andere kant van het spectrum staat een veel democratischere benadering, geïllustreerd door de gebouwen die Adolf Loos na de Eerste
Wereldoorlog ontwierp voor de Weense Siedler­bewegung. Loos ontwikkelde het ‘Haus mit einer Mauer’, dat zo was opgezet dat het met een minimum aan fysieke inspanning en gereedschap kon worden gebouwd. Dat was essentieel, omdat oorlogsveteranen met een fysieke beperking en vrouwen vaak hun eigen huis bouwden. Bovendien ging Loos ervan uit dat het interieur gaandeweg kon meegroeien met de behoeften van de bewoners. Hij stelde hiervoor eenvoudige bouwstrategieën voor, zoals gordijnen en textiele wanden.

Kortom, architectonische details en componenten zijn actoren van sociaal-materiële hiërarchieën. Ze zijn niet neutraal. Ze bepalen de toegankelijkheid en kennen macht toe door vast te leggen wie een gebouw kan begrijpen, aanpassen, herstellen of ontmantelen. In die zin zijn details activistisch: ofwel houden ze gevestigde machtsstructuren in stand, ofwel maken ze een bredere participatie mogelijk in de vormgeving van onze gebouwde omgeving door de jaren heen.

Juliane Greb, architect

© Philippe Braquenier