De Vlaamse regering stelde Henk Ovink aan als voorzitter van de internationale expertgroep om Vlaanderen te beschermen tegen de gevolgen van extreme regenval en tegen langdurige droogte. Die kent men maar al te goed in de Denderstreek, toen bijna dertien jaar geleden alle gemeenten tussen Geraardsbergen en Aalst door het wassende water werden getroffen en honderden woningen onder water kwamen te staan. Dat men in diezelfde Denderstreek vandaag al goed bezig is, moet Ovink zeker gezien hebben, want daar werkten ruim vijf jaar lang alle partners samen aan wat de watergezant voorschrijft in zijn 10 puntenplan: een geïntegreerd en adaptief actieprogramma met de overstromingsrisico-en bergingspotentiegebieden als sturende elementen voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling.

Tot diep in de 19de eeuw was de Dender een krinkelend winkelend waterding dat jaarlijks in de winter de omliggende velden zonder al te grote gevolgen onder water zette. In de loop van de eeuwen rukte de verstedelijking echter op richting de rivieroevers en transformeerde de waterloop steeds meer tot een industriële goot. De systematisch rechtgetrokken waterlopen en de bijkomende stuwen en sluizen geleiden de steeds frequentere en volumineuzere scheepvaart. Economische en woonontwikkelingen verzegelden steeds grotere oppervlaktes langs haar oevers. Maar die verharde kanaaloevers werken ook als een soort van versmachtend korset bij intense regenval. Door al die verharding dringt niet al het regenwater meer in de bodem, maar stroomt het pijlsnel richting de Dender. Het sterke reliëf van de streek zorgt ervoor dat de Dender nog sneller aanzwelt.