Veel Belgen wonen in vrijstaande huizen op het platteland. Dit is immers wat de overheid hier vanaf de jaren vijftig sterk heeft aangemoedigd, met als gevolg een sterk versnipperde en steeds meer verstopte regio. Vandaag de dag heeft de overheid een andere visie. Al twee decennia lang vertelt elk ruimtelijk beleidsplan ons dat we dichter bij elkaar moeten wonen op goed bereikbare plaatsen. De villa in boerderijstijl op een eigen perceel behoort tot het verleden, en toch wordt het in de stad steeds moeilijker om betaalbare en comfortabele woningen te vinden.
De tijd lijkt rijp om onze woondroom bij te stellen en een nieuw ideaal op te bouwen waarin bereikbaarheid, gezinsleven en buitenruimte verenigbaar zijn. Collectiviteit kan in dit opzicht een sleutelrol spelen, zowel wat betreft woningtypes als wat betreft productie en beheer. Maar wat betekent dit in de praktijk? Welke ruimtes worden gedeeld en welke niet? Zullen we dan in kleinere ruimtes gaan wonen? Hoe organiseren bewoners zich? En welke rol spelen architecten en bewoners in een dergelijk participatief ontwerpproces? Kunnen we nu al spreken van een nieuwe collectieve architectuur? Deze vragen zetten Architectuurwijzer, een culturele architectuurvereniging uit Limburg, ertoe aan om collectief wonen in Vlaanderen en Brussel in kaart te brengen. Het resultaat van hun onderzoek is zowel de tentoonstelling Housing Apart Together in C-mine in Genk en bij STAM in Gent, als dit speciale nummer in samenwerking met A en UHasselt.