In een recent interview1 stelt Willem Jan Neutelings dat “de integratie van kunst maakt dat mensen sneller een relatie kunnen aangaan met het gebouw. In een glazen toren heb je dat niet. Met een witte muur kan je geen relatie ontwikkelen. Die zegt: ik ben er niet. Dat geeft een unheimlich gevoel.” De integratie van kunst – of elke vorm van decoratie – in architectuur is niets nieuws. Mensen hebben ongetwijfeld altijd al hun woning, paleis, kerken of ontmoetingsplaatsen opgesmukt om ze een menselijker gelaat en een bijzonder cachet te geven. Kunst is veel meer dan een manier om een gebouw op z’n voordeligst te laten uitkomen: kunst maakt af, overstijgt de architectuur. Dat het woord kunst moeilijk te definiëren is, speelt ook hier een rol. De term kende zijn oorsprong in het Westen tijdens de renaissance. Aanvankelijk hadden de Grieken het over tekhne, wat kunst betekent, maar ook ambacht. De Romeinen spraken van ars, wat ook het werk, de ambacht, de gilden impliceert. Die relatie tussen kunst en architectuur blijft van fundamenteel belang. 1 bruzz, van 20/09/2017, interview met Willem Jan Neutelings door Laurent Vermeersch.
Het is alvast een onderwerp dat terugkeert op onze redactie: het werd al behandeld in A+133 (1995) en A+195 (2005) en ook vandaag ligt het opnieuw op tafel. De actualisering van het decreet met betrekking tot de integratie van kunstwerken bij renovatiewerken in de twee Gemeenschappen was een interessante gelegenheid om het thema opnieuw uit te spitten. De meeste rubrieken van dit nummer – In the picture, Zoom out, Fundamenten, Guests – zijn gewijd aan het thema Dis-play en belichten de diversiteit van allerlei vormen van kunst in opdracht en de politieke, maatschappelijke en culturele aspecten die deze initiatieven met zich meebrengen.