“Och ja, van die ‘tiny houses’…” Vaak krijg ik dit pejoratieve, simplistische antwoord als ik het met collega-architecten over lichte woonvormen heb1. Ze stemmen niet overeen met de binnen onze discipline geldende esthetische canon, waardoor de vele, complexe uitdagingen ervan vaak worden miskend. 1 Lichte woonvormen is een van de ‘45 actions’ geselecteerd in Inventaires #3 architectures Wallonie-Bruxelles 2016–2020, een boek samengesteld onder leiding van Gilles Debrun en Pauline de La Boulaye en gepubliceerd in november 2020.
Volgens het ‘Réseau brabançon pour le droit au logement’ (RBDL, of het Brabants netwerk voor het recht op huisvesting) kozen ongeveer 25.000 Walen, uit eigen wil maar soms ook omdat het niet anders kon, voor een andere manier van wonen. Ze worden opgedeeld in drie groepen: 12.000 personen die wonen op recreatiegrond (stacaravan, chalet), 10.000 reizigers en nomaden, en 3.000 bewoners van zogenaamde ‘alternatieve’ woningen (joert, tiny house, woonwagen, …)2. Volgens de deskundigen in huisvestingsrecht Vincent Wattiez van het RBDL, en Anaïs Angéras, doctoraatsstudente aan de UCLouvain, worden deze lichte woonvormen “door sommigen onder hen beschouwd als voorlopig, door anderen als het gevolg van een gewijzigde levensstijl en ten slotte, door allemaal, als een afdoende antwoord op hun behoeften. Het economische aspect, dat samenhangt met de huisvestingscrisis, speelt zeker een rol. Het groeiend aandeel microwoningen heeft echter ook te maken met een zoektocht naar een kleinere ecologische voetafdruk. Deze woonvormen zorgen bovendien voor dynamischere sociale contacten, alleen al door het zelfbouwprincipe waar vaak vrienden aan te pas komen.” 2 Teret, Céline, ‘Habitat léger : premier jalon d’une reconnaissance juridique’, Alter Échos, nr. 474, juni 2019