Met zijn acht eeuwen rijke kunstcollectie behoort het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen zonder twijfel tot de wereldtop. Zoals het musea van dergelijke allure vergaat, waagt ook Boijmans Van Beuningen zich aan een sprong naar de toekomst. Op 20 december 2018 keurde de Rotterdamse gemeenteraad het ambitieuze plan goed om het museum grondig te verbouwen. Asbest lijkt een aanleiding voor de plannen, verdwaalde bezoekers een goed excuus. De architect moet nog worden aangesteld, maar nu al baart de aanstaande verbouwing grote zorgen. In de huidige prefiguratie wordt immers de vleugel van het museum afgebroken – ontworpen door Robbrecht en Daem en in 2003 ingehuldigd. Dat die vleugel, waar zes jaar lang aan werd gewerkt, al na vijftien jaar tegen de vlakte moet, doet niet alleen vele wenkbrauwen fronsen, het is ronduit alarmerend.
Museum Boijmans Van Beuningen bestaat uit een amalgaam van gebouwen. Het oorspronkelijke gebouw van stadsarchitect Adrianus van der Steur uit 1935 doet in alle opzichten aan als een traditioneel museum: ruime zalen, intieme kabinetjes en zichtassen uitgevoerd in traditionele materialen zoals baksteen, natuursteen en koper. De eerste uitbreiding, die Alexander Bodon in 1972 realiseerde aan de oostzijde, heeft een heel ander karakter. Met haar drie enorme witte ruimtes biedt deze flexibiliteit aan de tentoonstellingsmakers én een prachtig uitzicht op de museumtuin. Het paviljoen van Hubert-Jan Henket uit 1991 voor de collectie Beuningen-De Vriese beslaat een besloten souterrain met daarop een glazen volume dat het daglicht diep in het museum laat doordringen.