Veel historische vormen van collectieve huisvesting hebben de tand des tijds doorstaan, terwijl andere tragisch genoeg hebben gefaald. Hoe hebben architectonische modellen zich ontwikkeld in het licht van veranderende gebruikersgeneraties en sociale modellen? Wat is robuust gebleken en wat niet? Aan de hand van enkele voorbeelden van vergelijkbare typologieën – rijtjeshuizen die zijn verbonden met een ‘tussenruimte’ – zal dit artikel trachten enkele basisrichtlijnen te distilleren voor de architectuur van hedendaagse vormen van collectieve huisvesting.
In 1902 publiceerde architect Raymond Unwin Cottage Plans and Common Sense, waarschijnlijk de allereerste ontwerptreatise voor collectieve woonvormen. Voortbouwend op Ebenezer Howards Garden City-theorie stelt de auteur een architectonisch vocabulaire voor dat de basis vormt voor een duurzaam alternatief voor de sombere leefomstandigheden in de stad. Door compacte woningen te koppelen aan ‘gemeenschappelijke voorzieningen’ – van cricketvelden en moestuinen tot eetruimtes, washuizen, speelkamers en zelfs huishoudelijke hulp – was hij van mening dat een groot deel van de bevolking toegang zou kunnen krijgen tot een betere levenskwaliteit in harmonie met de natuur. Zich bewust van de sociale en economische impact van ‘het delen van ruimte’, wijdde hij later een heel hoofdstuk in zijn bekendere Town Planning in Practice (1907) aan het belang van zogenaamde ‘huurdersverenigingen’: coöperatieve verenigingen die zowel de kwaliteiten van de gemeenschappelijke voorzieningen als de privacy van het individu moesten beschermen. Dit zou echter niet essentieel blijken voor de levensvatbaarheid van zijn ontwerpen.