In de loop van 30 jaar is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geëvolueerd van een instantie die verantwoordelijk was voor regelgeving tot een speler die vorm geeft aan een metropool. Naast de gemeenten, die toezicht houden op en leiding geven aan talrijke projecten, neemt het Gewest ook het initiatief wanneer het gaat om grootschalige stadsontwikkeling. Welke instrumenten gebruikt zij om ervoor te zorgen dat ruimtelijke kwaliteit voorrang krijgt boven politieke en economische belangen? Wat zijn de voordelen van ‘soft-power-mechanismen voor ontwerpverbetering’ en in welk klimaat kunnen deze tot bloei komen?

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is een relatief jonge entiteit. Pas in 1989 werd het een volwaardig gewest, toen het zijn plaats innam naast zijn Vlaamse en Waalse tegenhangers. In slechts 30 jaar tijd zag het Gewest zich echter genoodzaakt een robuust beleid te ontwikkelen om de uitdagingen aan te pakken waarmee veel steden worden geconfronteerd: sterke bevolkingsgroei, toenemend multiculturalisme, uitdagende mobiliteitsvraagstukken en een gebrek aan voorzieningen. De complexe politieke en bestuurlijke structuur, ook wel bekend als de ‘Brusselse lasagne’, maakt de situatie er niet eenvoudiger op: naast het Gewest is er enerzijds ook betrokkenheid op federaal niveau en anderzijds 19 gemeenten, twee (taal)gemeenschappen en een reeks agentschappen.