Brussel is een compacte stad. Dit vloeit deels voort uit noodzaak: de stad zit ingeklemd in een krappe ruimte tussen Vlaanderen en de Ring, de bevolking groeit gestaag en de druk op de woningmarkt is al groot. Maar het compacte karakter is ook een bewuste beleidskeuze: de keuze voor een stad van nabijheid, met levendige wijken waarin woon- en commerciële functies (waaronder industrie) met elkaar verweven zijn, en met toegang tot groen en openbare voorzieningen. De compacte stad is ontworpen voor voetgangers, met een voldoende hoge bevolkingsdichtheid om het openbaar vervoer efficiënt te laten functioneren. Het is echter van belang dat deze compactheid op diverse manieren vorm krijgt, met een scala aan typologieën, zodat wonen in de stad ook haalbaar en aantrekkelijk is voor een divers publiek, waaronder gezinnen met kinderen.
De verdichting in Brussel verloopt niet altijd volgens een duidelijke visie. De grotere herbestemmings- en verdichtingsprojecten worden ontwikkeld op percelen die vrijkomen wanneer andere functies worden stopgezet. Ondertussen vindt er een sluipende maar moeilijker in kaart te brengen verdichting plaats via kleinschalige projecten, zoals het opsplitsen of verhogen van bestaande woningen, het samenvoegen van rijhuizen tot appartementen, het herbestemmen van pakhuizen tot lofts, of het aanvullen van stadsblokken door te bouwen op nog onbebouwde percelen.