Dit nummer van A+ staat in het teken van 19 opkomende Belgische architectenbureaus die samen een beeld schetsen van de huidige stand van zaken in de architectuur. Wat vooral opvalt, is de mate waarin de professionele omgeving in België de afgelopen 20 tot 30 jaar is veranderd. In deze periode heeft de architectuurcultuur een snelle institutionalisering doorgemaakt, waardoor jonge bureaus zich vandaag de dag in een heel ander werkveld moeten begeven. Belangrijke ontwikkelingen zijn onder meer een nadrukkelijk op samenwerking gerichte werkwijze, de bereidheid om verschillende bureaustructuren uit te proberen en een bewuste positionering als onderdeel van een (inter)nationaal werkveld. Deze nieuwe strategieën worden nu toegevoegd aan de bestaande ontwerpculturen, waarin nog steeds een sterk bewustzijn van afkomst en opleiding heerst – zowel in geografische zin als wat betreft opleiding en stages.

Dit bewustzijn is deels het resultaat van de nauwe band die al lang bestaat tussen architectuuropleidingen en de ontwerpcultuur. Voor deze generatie worden deze achtergrondelementen echter aangevuld met verbindingen buiten de thuisbasis en de alma mater van de architect. Dit maakt het moeilijker om van een genealogie te spreken – toen Geert Bekaert in 1989 zijn ‘jonge goden’ introduceerde, waren hun afkomst en invloeden iets gemakkelijker te traceren omdat het om een beperkter veld ging. Tussen de jaren zeventig en negentig werden in de grotere steden een aantal belangrijke bureaus opgericht, zoals Robbrecht en Daem, Marie-José Van Hee en De Smet Vermeulen in Gent, Atelier Pierre Hebbelinck in Luik, en Christian Kieckens, xdga en Philippe Samyn in Brussel. Deze waren vaak verbonden aan de architectuuropleidingen, waar de vennoten ook lesgaven.