Cohousing is een nichemarkt, maar niemand kijkt er vreemd van op als gezinnen of individuen voor deze woonvorm kiezen. Over het algemeen behouden zij nog steeds een eigen ‘complete’ woning, maar delen zij extra voorzieningen. Ook projectontwikkelaars beginnen geleidelijk aan mogelijkheden te zien om op deze markt winst te maken. Steden als Gent en Leuven hebben proefprojecten opgezet. Cohousing lijkt immers een voor de hand liggende keuze. Toch blijkt het zoeken naar een perceel, de juiste balans tussen collectief en privé, en het budget voor al die extra’s nog steeds een (soms langdurig) proces van vallen en opstaan te zijn. Wat zijn de gevolgen voor de architect? Hier volgt een kort overzicht.
De meest voorkomende vorm van cohousing is een verbeterde meergezinswoning. Een groep mensen bewoont een gebouwencomplex met verschillende kleine maar ‘complete’ wooneenheden. Daarnaast delen zij voorzieningen zoals een gemeenschappelijke eetruimte, werkruimte, tuin, zwembad, wasruimte, enzovoort. Auto’s zijn vaak in gezamenlijk bezit, waardoor er minder parkeerplaatsen nodig zijn. In Brussel is een andere formule, co-living, momenteel in opkomst. Bij co-living beschikken de bewoners niet over een eigen keuken, maar koken en eten zij in dezelfde ruimte. Daarnaast is er het gemeenschapshuis, waar bewoners zelfs sanitaire voorzieningen delen. In dit artikel zal echter de eerste vorm aan bod komen. Een bespreking van de hieronder genoemde projecten vindt u elders in dit nummer.