Met A+300 kondigde de redactie de vijftigste verjaardag van het tijdschrift aan. Het eigenlijke verjaardagsnummer is echter de publicatie die u nu in handen houdt: het juninummer A+302. Exact vijftig jaar geleden, in juni 1973, verscheen het allereerste nummer van het tijdschrift, onder hoofdredactie van architect en docent Jan Bruggemans (1946–2022). De redactie vroeg aan Maarten Delbeke, hoogleraar architectuurgeschiedenis aan de ETH in Zürich, om stil te staan bij ons vijftigarig bestaan. Hij was lid van de raad van bestuur van A+ van 2013 tot 2017, en volgde in 2015 Kristiaan Borret op als voorzitter, tot in 2016. In A+200 (2006) dook hij al eens in de archieven en schreef een analyse van wat het tijdschrift toen in ruim dertig jaar had betekend. Twintig jaar en honderd nummers later – en met iets meer mentale en fysieke afstand – reflecteert hij opnieuw over de visie die A+ uitdraagt, en over een mogelijke toekomstige identiteit van het tijdschrift.
Bij de terugblik op de eerste 199 nummers van A+ die ik voor nummer 200 maakte, viel mij op hoe het tijdschrift vanaf het begin het slappe koord bewandelde tussen een kritische architectuurpraktijk en een zich langzaam ontwikkelende architectuurkritiek. Veel architecten wilden met het ontwerp en het architectuuronderwijs de problemen van de gebouwde omgeving in België te lijf gaan. Die ambitie vereiste een krachtige verdediging van het beroep en de missie van de architect, een zaak die een volwassen en deels autonome kritiek niet steeds wenste te dienen. Bovendien bracht de kritiek architectuur ook in verbinding met artistiek en academisch onderzoek. Deze praktijken nemen vaak afstand van het beroepsveld, eerder dan het blindelings te ondersteunen. Ten tijde van A+200 was die spanning nog goed voelbaar, hoewel er zich in het tijdschrift én de Belgische architectuur een nieuw zelfvertrouwen begon af te tekenen.