Voor de Leuvense universitaire ziekenhuizen vertrokken naar Gasthuisberg, aan de rand van de stad, overwoekerden ze een eeuw lang de ‘hertogensite’, de oorspronkelijke stadskern van Leuven. De Dijle splitst er zich in twee armen die een eiland vormen. De Aa, een zijrivier van de oostelijke arm slingert zich daartussendoor. De historische stadswal uit de 12eeeuw bleef al die tijd verweesd achter tussen alle hospitaalgebouwen en de overwelfde westelijke arm van de Dijle en de Aa, die gedegradeerd waren tot hospitaalriool.

Het masterplan van 360 architecten en De Gregorio Architecten herbestemde het gebied op vraag van de stad tot een woonzone in het groen, aan het water. Resiterra werd aangesteld als ontwikkelaar en hield mee de pen vast bij het masterplan. Dat voorzag o.m. tussen de Aa en de westelijke Dijle een smal bouwblok dat parallel met de historische stadswal van noord naar zuid loopt om daar aan te sluiten op de Minderbroederstraat. In het noorden kreeg dat blok de vorm van een toren met dertien etages, met uitzicht op een park in het noorden. Daarachter vormde een lange ‘staart’ de verbinding tussen de toren en het U-vormige Regagebouw. Die staart is even hoog als dat gebouw: vier etages.
Resiterra vroeg David Chipperfield om dit schema om te zetten in plannen. Het resultaat is Hertog I, een wooncomplex van 8000 m2. De toren omvat 24 appartementen, twee per etage en één penthouse. De ‘staart’ bestaand uit negen woningen met een ingang aan de westkant en een tuin in het oosten, aan de Aa. Een klein flatgebouw vormt de aansluiting met het Regagebouw. Een smalle weg die vertrekt van de Minderbroederstraat ontsluit de ondergrondse parking en alle voordeuren.
Binnen die nauwe marges wist Chipperfield kop en staart tot een overtuigend geheel aaneen te smeden, en dat niet alleen door alle gevels en zelfs de plafonds van terrassen in dezelfde lichtbeige handvormsteen uit te voeren. Zowel de voor- als de achtergevel van de woningen en het kopgebouw kregen een zaagtandvorm.
Dat is meer dan een visuele vondst. De verspringingen in de gevels aan de ‘straatzijde’ creëren voor elke woning een beschut voorland. Aan de tuinzijde beletten ze inkijk van de ene tuin in de andere. De leefruimte op de eerste etage sluit met een buitentrap op die tuin aan. De vierde etage springt aan de kant van de Dijle zover achteruit dat ze een riant terras biedt, maar ook de eerste etage heeft aan de straatzijde een beschut, overdekt terras.

Dat motief van beschutte, overdekte terrassen keert weer in de toren. Twee appartementen grijpen er telkens om de centrale liftkoker in een L-vorm heen. Per etage verspringt het terras van voor naar achter, zodat hinder tussen de etages uitgesloten is. Dat spel van verspringende terrassen verleent de toren ook een markant uitzicht, mede dankzij de strakke regelmaat van de raamopeningen. Geraffineerde details in de riante inkompartij, met een reusachtig, overdekt voorland, doen de rest.
Minder inventief daarentegen zijn de grondplannen van de appartementen: ze bieden slechts het standaardprogramma van eetkamer-keuken-woonkamer en slaapvertrekken. Vooral de slaapkamers zijn krap bemeten. Goedkoop is wonen hier evenmin: zo’n 5000 €/m2. Toch raakten alle units snel verkocht. Het is een teken des tijds: wie het zich vroeger kon permitteren verruilde de stad voor een riante buitenwijk. Wie dat nu kan eist de mooiste plekken in de stad op als exclusief woonoord. Maar het park blijft voor iedereen. Daar waakte de stad wel over.