Willy Van Der Meeren. mass , onder redactie van Peter Swinnen en Anne Judong, is – voor zover mij bekend – de eerste Engelstalige (prikkelende) publicatie over het oeuvre van architect Willy Van Der Meeren (1923-2002). De vele publicaties en de doctoraatsthesis van Mil De Kooning (hoogleraar architectuur aan de Universiteit Gent) redden hem eerder, op het einde van zijn carrière, al ei zo na van de vergetelheid. Toevallig verscheen haast tegelijk een studie van De Kooning et al. over Van Der Meerens studentenhuisvesting voor de campus van de pas gestichte VUB in Brussel in het begin van de jaren 1970. Beide boeken vullen elkaar mooi aan.

Swinnen en Judong stellen in hun inleiding dat Van Der Meeren als architect een vat vol tegenstrijdigheden was als man van ‘straightforward complexity’ en ‘perennial impermanence’. Hij staat bekend voor zijn obsessieve streven naar industriële massaproductie van zowel woningen als meubilair. Zijn eerste wapenfeit was zo het ontwerp van een complete huisraad voor de grote massa, ontworpen in samenwerking met de firma Tubbax. Hij ontwikkelde met architect Léon Palm ook al vroeg de CECA-woningen1, die als een bouwpakket in recordtijd te bouwen waren voor een prijs die 40% lager was dan de gangbare woningbouw. Het project strandde echter op het wantrouwen van de huisvestingsorganisaties. 1 CECA staat voor Communauté Européenne du Charbon et de l’Acier, beter bekend in het Nederlands als de EGKS (Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal).

In een boeiende mozaïek van historisch onderzoek, archiefdocumenten, getuigenissen, interviews en essays van o.m. Francis Carpentier, Rika Devos, Guido Stegen, Francis Strauven, Paul Robbrecht en Swinnen en Judong zelf rijst een veel complexer beeld op van deze building designer. Van Der Meeren zag al vroeg in dat eeuwenoude bouwpraktijken schuurden met een snel moderniserende samenleving, met als gevolg een praktijk die zich vast reed in bijkomstigheden, ondoorzichtige processen en kitsch Hij wilde met zijn ontwerpen bewoners de middelen bieden om zich bewuster te verhouden tot de ‘brave new world’ van na expo 58. Zijn vrij in te vullen structuren, die een uiterste economie van middelen koppelden aan een joyeuze ontwerpflair, wezen daartoe de weg.

Bovendien was Van Der Meeren een tegenstander van modernistische credo’s als functionele zonering. Hij geloofde, net als Team Ten (denk: Aldo Van Eyck en Peter en Alison Smithson) dat een stad maar leeft door functionele vermenging. Hij besefte ook, lang voor dat gemeengoed werd, dat de complexiteit van de naoorlogse samenleving nood had aan computergestuurde analyses van data. Dat alles belette hem niet om een woning van een singuliere poëzie als die van Vlaams romanschrijver en dichter Maurice Roelants te bedenken. De vele foto’s van Filip Dujardin en Aglaia Conrad brengen dat alles secuur in beeld.

Willy Van der Meeren VUB/From static to dynamic van Mil De Kooning vertelt in wezen hetzelfde verhaal aan de hand van de prefab studentenhuisvesting van Van Der Meeren voor de kersverse VUB in de jaren 1970. De studie toont loepzuiver aan hoe Van Der Meeren prefabricatie koppelde aan schijnbaar tegengestelde concepten als herkenbaarheid of ‘bewonersemancipatie’. Twee keer een must read dus.

Willy Van Der Meeren VUB/From static to dynamic, Mil De Kooning, Stephanie Van de Voorde, Ellen Van impe. Borgerhoff & Lamberigts, Gent 2026. ISBN 9789493457645. 200p, illustraties kleur en zw/w, soft cover. Richtprijs 29,99 €

Willy Van Der Meeren mass, Peter Swinnen & Anne Judong (red), Spector Books, Leipzig, 2025. 212 p, illustraties kleur en zw/w. Genaaid, soft cover A5. ISBN 9783959059282. Richtprijs 27 €.