Een stand van zaken opmaken van de architectuur van een land is geen sinecure. Zelfs in een klein land als België is het voor één mens onmogelijk om de output van de duizenden architecten in België te volgen of heldere lijnen te trekken in de discussies daarrond. Doorgaans wagen alleen éminces grises (zoals Geert Bekaert) of collectieven (zoals de Jaarboeken in Vlaanderen) zich daaraan. Toch deed Christophe Van Gerrewey net dat toen hij, pas 32 jaar oud, in 2014 Architectuur in België publiceerde bij de Belgische uitgever Lannoo. Het boek behandelde de periode 1989-2016, ruwweg de periode tussen de val van de Muur die het ‘einde van de geschiedenis’ leek aan te kondigen en de cascade aan financiële, politieke en ecologische crisissen (de Balkanoorlog, de bankencrisis, de klimaatcrisis etc.), die bewezen dat de geschiedenis op akelige wijze terug was van nooit weggeweest.

Aan branie ontbrak het Van Gerrewey niet: de cover van het boek verwees openlijk naar de quasi gelijknamige publicatie en tentoonstelling Bouwen in België 1945-1970 (1970) van Geert Bekaert en Francis Strauven, een vroege poging om architectuur ter discussie te stellen. Van Gerrewey was wel zo wijs om geen finale uitspraken te doen. In essentie presenteerde hij ca. 80 projecten die een verschil maakten in de verwarde, en tot ver in de jaren 1980 weinig verheffende Belgische architectuurscène. Het boek was een barometer van de stijgende kwalitatieve luchtdruk in het veld.

Tien jaar later doet Van Gerrewey die oefening nog eens over, deze keer niet bij een ‘lokale’ uitgever, maar bij de prestigieuze MIT Press, in het Engels, en dus voor een wereldpubliek. Something completely different is dan ook een compleet andere studie. Om te beginnen beslaat ze de hele Belgische geschiedenis sinds 1830, met nadruk op de 20een 21e eeuw. Bovenal voert ze ‘België’ op als een toetssteen ‘to tell the story of how architects have, in different and often contradictory ways, mediated humanity’s spatial presence during successive waves of modernization’.

Het nawoord bij het boek expliciteert de vraag die Van Gerrewey zich daarbij stelde. Een verschil maken, het uitgangspunt van zijn eerdere overzicht, wordt hier afgezet tegen herhaling, het vertrouwde. Die spanning is een vast stramien in elk architectuurontwerp. Door die te bespelen trekt een gebouw de aandacht op zichzelf. Maar, zo stelt Van Gerrewey stelt kurkdroog vast, aandacht trekken lijkt vandaag in zowat elk maatschappelijk domeinen het enige wat nog van tel is. Met een boude gedachtesprong kwalificeert hij architectuur zo als de kanarie in de koolmijn van de sinds de 19e eeuw groeiende sociale spanning tussen individu en samenleving, tussen privaat en publiek.

De gok van het boek gaat daarover. De architect, als een autonome speler in een steeds complexer maatschappelijk veld, kan een lens kan zijn om de contradicties die binnen dat veld te bevragen, niet in het minst omdat architecten – in een eindeloze pendelbeweging tussen zelfoverschatting en frustratie – daar vaak uitgesproken oplossingen voor bedachten. Nu eens megalomaan, op het komische af, dan weer op de kleine schaal van het huis. De focus op België is in dat licht hoogst relevant. Het land is historisch het resultaat van gesjacher tussen Europese grootmachten. Eeuwenlang de speelbal van buitenlandse heersers wantrouwen Belgen elke vorm van gezag die hun regionale of stedelijke omgeving overstijgt. Toch is het tegelijk de zetel van de EU. Het is daardoor een land waar alles, en ook zijn tegendeel (on-)waar is.

Van Gerrewey werkt die gedachte uit in zeven essays, rond zeven vragen. Het woord essay moet je hier letterlijk nemen: geen van de hoofdstukken is een betoog dat lijnrecht op een conclusie afstevent. Het is telkens een mozaïek van teksten en beelden die de auteur bij elkaar legt. In de ruimte tussen die fragmenten schemeren intrigerende inzichten door, maar geen stellige ideologie. Van Gerrewey is geen Siegfried Giedion die de marsrichting van de geschiedenis vooraf uittekent. Hij laat veeleer het betrekkelijke van de geschiedenis zien. Die is, als je hem volgt, te richtingloos om te passen in één ideologie, hoe nuttig ideologie ook kan zijn om gedachten te scherpen.

Dat essayistische karakter leidt ertoe dat sommige architecten ongewoon veel belangstelling krijgen binnen een bepaalde gedachtegang, terwijl anderen met even grote faam onvermeld blijven. Het betekent ook dat brandende issues als klimaat hier wel aangestipt worden, maar zelden op zichzelf, wel in de wijze waarop ze (discussies over) ontwerpen sturen. Over de ‘vererfgoeding’ van het land spreekt hij zich zelfs nauwelijks uit. De baseline van het boek blijft de complexe, evoluerende verhouding tussen publiek en privé, of nog, de wisselende verhoudingen waarin architecten zich nu eens terugplooien op het individuele huis en dan weer het hele nationale territorium hertekenen.

Binnen die premisse is het boek een lust om te lezen. Van Gerrewey put uit zeer diverse bronnen. Schrijvers als Charles Baudelaire of Hugo Claus, filosofe als Hanna Arendt, Theodor Adorno of Walter Benjamin, kunstenaars als Roger Raveel of Frans Masereel zet hij in om een specifiek perspectief duidelijk te maken, met goed gekozen afbeeldingen. Daarnaast citeert en bespreekt hij ook veel ontwerpen, maar zijn keuze is vrij eigenzinnig. Als het over stedenbouw gaat waait Le Corbusier een paar keer voorbij – niet in zijn meest gunstige gedaante -, net als zijn volgeling Renaat Braem, maar hij kent aan het oeuvre van Bovenbouw, Luc Deleu, Dogma, Henk Desmedt en Paul Vermeulen (HDSPV), Office Kersten Geers David Van Severen of Xaveer De Geyter een even groot belang toe.

Het zesde hoofdstuk van het boek, Pull out a chair’ illustreert goed de rijkdom aan ideeën die Van Gerrewey zo op onnavolgbare wijze verbindt. Het handelt over de vraag wat architectuur vandaag nog betekent in een cultureel oververzadigde samenleving. De auteur opent met de vraag hoe confettisnippers een architecturaal motief werden. Confetti is immers chaotisch, toevallig, vluchtig, alles wat architectuur niet is. Toch dook het bij OMA op als organisatieprincipe voor Parc de la Villette in Parijs. De vloer van de installatie ‘1907…After the party’ van Office KGDVS op de biënnale van Venetië van 2008 was er zelfs mee bezaaid. Van Gerrewey koppelt dat beeld direct aan de bankencrisis die net dan uitbrak: het neoliberale feest was inderdaad voorbij, met alle gevolgen van dien voor architecten. Wat kan architectuur dan nog betekenen vraagt Van Gerrewey zich, met Manfredo Tafuri en Victor Hugo, af. Zo komt hij uit bij de Belgische stedenbouwkundige context: ook dat is een confetti van achteloos over het landschap gestrooide objecten, ondanks een Orde van Architecten. Alsof niemand behalve die architecten een moer gaven om architectuur of stedenbouw. Dat hebben die architecten, en vooral die Orde,  echter aan zichzelf te wijten, merkt hij met Geert Bekaert op. Zij wilden de discussie over architectuur monopoliseren, maar architectuur kan niet op zich bestaan: zonder een gesprek erover, gevoed door een ernstige wedstrijdcultuur, betekent ze niets. Dat bewijst hij met een overzicht van geruchtmakende wedstrijden. Hij besluit: ‘Architecture is not about building. It’s about using the possibility of building to envision a desirable future. Architecture culture should enable us to consider what our options are, even when most of the parties are over’.

Anders gezegd: het gaat over verschillen, maar niet als een doel op zich. Daarin onderscheidt architectuur zich van het gros van hedendaagse cultuuruitingen. Heerlijk, zo’n tekst die je alle hoeken van het landschap laat zien om te landen bij deze stelling.

Something completely different – Architecture in Belgium, Christophe Van Gerrewey, The MIT Press, Cambridge Mass. 2024. ISBN 978-0-262-54751-2