Zijn flexibele gebouwen herkenbaar? Flexibele architectuur symboliseert meer dan aanpasbaarheid en heeft vaak een eigen vorm en esthetiek.
Flexibiliteit is de koortsdroom van de architect. Koorts is het gevolg van strijd. Wie mikt op flexibiliteit, probeert greep te krijgen op wat onvoorspelbaar is. In die zin gaat het om een verheviging van het projectmatige karakter dat elk ontwerp eigen is. Dit is wat Alan Colquhoun erover schreef in 1977, in een tekst over het Centre Pompidou: ‘De filosofie achter de notie van flexibiliteit is dat de vereisten van het moderne leven zo complex en veranderlijk zijn dat elke poging van de ontwerper om op die veranderingen te anticiperen, resulteert in een gebouw dat ongeschikt is voor de eigen functies en dat daarom, als het ware, een “vals bewustzijn” vertegenwoordigt van de samenleving waarin de ontwerper werkzaam is.’
Een architect die zich daarvan bewust is, kan proberen een ontwerp te maken dat ander gebruik toelaat. Twijfel brengt de architect ertoe te verzaken aan de macht over andermans activiteiten. Keuzes worden later gemaakt, door de gebruiker. Het is niet toevallig dat de discussies omtrent flexibiliteit heviger worden na de Tweede Wereldoorlog. In deze periode wordt in West-Europese landen niet alleen de verzorgingsstaat in de steigers gezet, het is ook een tijdperk waarin het individu zich tegen autoriteit gaat verzetten.
In het lemma ‘Flexibility’ van Words and Buildings. A Vocabulary of Modern Architecture uit 2000 verbaast Adrian Forty zich erover hoe de ‘Nederlandse bijdragen aan het concept van de “flexibiliteit” die van alle andere landen overtreffen’. Architecten als Aldo van Eyck en Herman Hertzberger hebben zich inderdaad fel tegen de flexibiliteitsgedachte verzet. Van Eyck waarschuwde in 1962 voor ‘de handschoen die niemand staat omdat hij allen past’. Volgens Hertzberger ontwijkt de flexibele architect verantwoordelijkheid en is het resultaat saai en nietszeggend. Het is een afkeer die typisch is voor het welvarende Nederland in de jaren 1960 en 1970, maar ook voor het structuralisme. Architectuur die níét mikt op flexibiliteit is atypisch en speciaal, op het betuttelende af; neutraliteit wordt vermeden, net als eenvoud en eenvormigheid.

In Words and Buildings onderscheidt Forty drie strategieën om flexibiliteit wel tot stand te brengen. Architectuur kan veranderlijk zijn omdat wanden, vloeren, daken en trappen aan het schuiven gaan. Het resultaat is een ingewikkelde machine met verschillende onderdelen in afwijkende formaten. Het Fun Palace van Cedric Price uit 1964 is een voorbeeld, als antecedent van het Centre Pompidou (zie p. 28). Maar ook het Schröderhuis in Utrecht uit 1924 van Gerrit Rietveld is een gebouw dat elke rimpeling in het dagelijkse leven te slim af wil zijn. Het gevolg is, idealiter, een tableau vivant, als een installatie van Jean Tinguely, die echter stuk kan gaan of een eigen leven kan gaan leiden.

Een tweede strategie is, volgens Forty, eerder antiarchitecturaal: flexibiliteit is macht die de gebruiker opeist, zonder toestemming van de architect. De relatie tussen architectuur en gebruik wordt doorgeknipt: mensen doen met een gebouw, een kamer of een plek wat ze willen. Ook dit leidt tot woekering: de bewoner laat sporen achter, verandert indelingen en toont de absolute relativiteit van architectuur aan. Uiteindelijk is elke ruimte flexibel. Zelfs het Burgerweeshuis in Amsterdam uit 1960 van Aldo van Eyck, opgebouwd uit 328 kleine eenheden, zorgvuldig ontworpen voor diverse leefgroepen en activiteiten, werd een kantoorgebouw. Een tijdlang vond er met het Berlage Instituut zelfs een architectuurschool onderdak.

Al die goede intenties van architecten, wat blijft ervan over? De derde strategie heeft dat besef verwerkt, met terughoudendheid als resultaat. Forty spreekt in Words and Buildings van redundancy, overtolligheid. Hij citeert een andere Nederlander, die zich van zijn voorgangers onderscheidde door flexibiliteit eigenwijs te omarmen. In een toelichting uit 1980 bij het project voor de koepelgevangenis in Arnhem definieerde Rem Koolhaas flexibiliteit als ‘het tot stand brengen van marge – overtollige capaciteit die verschillende en zelfs tegengestelde interpretaties en toepassingen mogelijk maakt’. Volgens Koolhaas is functionalistische en ook structuralistische architectuur dat uit het oog verloren. Een groot, pre- of vroegmodern gebouw is niet gedetermineerd; ook barokke paleizen bestaan, ondanks decoratie en ornament, uit kamers waarin om het even wat kan plaatsgrijpen.
Het is een flexibiliteit die architectuur terugbrengt tot het ontwerpen van overmaatse structuren. In 1983 gaf een Belgische generatiegenoot van Koolhaas een lezing met als titel ‘Het langdurige dat toeval mogelijk maakt en verbeelding’. ‘Architectuur’, zei bOb Van Reeth, ‘moet zich beperken tot het langdurige en het kortstondige van het leven tot het leven laten behoren. De betrachting moet niet zijn een flexibel gebouw te maken, want dan zit je binnen de kortste tijd te denken aan verplaatsbare wandjes. De betrachting moet wel zijn een gebouw te ontwerpen en te bouwen dat losstaat van een bepaalde planopbouw, waarin het plan, waarin vele plannen kunnen worden ingebouwd.’ Het is wat Van Reeth tijdens zijn bouwmeesterschap als ‘intelligente ruïnes’ aanduidde: gebouwen met een open plan die lang meegaan en die op een basale manier beschutting bieden. Ook de architectuur van Van Reeth en AWG evolueerde in die richting, met de uitgeverij in Averbode uit 1990 als keerpunt: een rechthoekig, leeg grondplan, met in het midden een kleinere rechthoek met dezelfde verhoudingen, en met een trap en dienstruimtes. ‘Er is aan dit gebouw meer weggelaten dan toegevoegd’, zei Van Reeth in 1993. Letterlijk ruïneus ziet deze flexibiliteit er allesbehalve uit. Het resultaat is eerder een esthetiek van rasters en repetitie, maar ook van generische, betrouwbare, stenen stedelijkheid.

Wat in die bescheidenheid overeind blijft, zijn vloeren, door gevels en gevelopeningen van licht voorzien. Als flexibiliteit een koortsdroom is, dan dient de open vloer zich bij het ontwaken aan. In alle rationaliteit is de architectuur genezen van controledwang. Gevels en ramen maken een standaardplan mogelijk dat niet meer opgedeeld of gedetailleerd hoeft te worden. Al de rest is luxe en vertoon. ‘De architectuur, dat zijn verlichte vloeren’, zo schreef Le Corbusier in 1930 in Précisions sur un état présent de l’architecture et de l’urbanisme, en die definitie had hij al in 1915 kernachtig verbeeld met het Maison Dom-ino.
Stapelingen van verlichte vloeren hebben in de loop van de 20ste eeuw grote delen van de wereld verstedelijkt omdat ze niet programmatisch bepaald zijn. Appartementen, kantoren, magazijnen, ziekenhuizen, schuilkelders en parkeerplekken: alles is welkom, als het moet tijdelijk en tegelijkertijd. Vandaag komen de planchers éclairés van Le Corbusier beter van pas dan ooit tevoren. Besparingen, een economische crisis en een krimpende overheid gaan hand in hand met een architecturaal schuldgevoel over de klimaatontwrichting. Het resultaat is de nulgraad van het lege plan, dat geen enkele uitspraak meer doet over de toekomst en dat met elke crisis – faillissement, oorlog, overstroming, herstructurering of besparing – raad weet.

De studentenhuisvesting Rosalind Franklin op de technologiecampus Université Paris-Saclay, opgeleverd in 2020 door Bruther en Baukunst, is op dat vlak emblematisch. Het gebouw is in zowat alles het tegendeel van de legendarische Mémé van Lucien Kroll uit 1972. Elke individualiteit van de bewoner is eruit verdreven, net als elke architecturale worsteling. In wat moet uitgroeien tot een Franse versie van Silicon Valley stapelden Bruther en Baukunst zes betonnen verdiepingen voor 192 studentenwoningen (met gemeenschappelijke en commerciële ruimtes) en 491 parkeerplaatsen. Het ene deel kan probleemloos in het andere transformeren. Als de campus flopt, komt er plaats vrij voor een onbevolkt distributiecentrum. Bijzonder aan het ontwerp is dat de verlichte vloeren een eigentijdse en lichte esthetiek krijgen, ook dankzij felgekleurde, thermische gordijnen, als laatste overblijfsel van de strijd met aanpasbaarheid. De kolom- en balkstructuur is zichtbaar en toont, zoals Pierre Chabard schreef in A+289, ‘expliciet de toepassing van een generische constructiemethode’. Ook de circulatie, momenteel nog deels voor auto’s, speelt hierop in. ‘De afzonderlijke hellingen, symmetrisch opgehangen aan de structuur (om ze makkelijker te kunnen verwijderen bij een herbestemming), geven de benedenverdieping met dubbele hoogtes de allures van een kasteel aan de Loire’, aldus Chabard.
De parkeergarage wordt zo de archetypische ruimte van de jaren 2020. Is er iets wat verlichte vloeren niet kunnen? Is er een toekomstscenario, hoe dystopisch of pessimistisch ook, waarin ze geen rol kunnen spelen, boven- en zelfs ondergronds? Lucide en illusieloos toont de architectuur zich flexibeler dan ooit tevoren.