Het Zwitserse architectenbureau Herzog & de Meuron realiseerde sinds zijn start in het begin van de jaren 1980 over de hele wereld meer dan 600 spraakmakende projecten. Dat succes is in zekere zin een raadsel, want de diversiteit van het oeuvre is zo groot dat er van een herkenbare ‘stijl’ geen sprake is. Het ene project lijkt doodgewoon, op het randje af banaal zelfs, maar een volgend project is dan weer extreem spectaculair en gewaagd. Twee toonaangevende Zwitserse architectuurcritici, Stanislaus von Moos en Arthur Ruëgg proberen in Twentyfive x Herzog & de Meuron sleutels aan te reiken om een samenhang in dit oeuvre te ontwaren. Dat lukt de ene al beter dan de andere.

Het boek opent met een reeks beelden uit het fotoarchief van Pierre de Meuron. Ze verraadt dat de architect een levendige belangstelling heeft voor de meest uiteenlopende manifestaties van architectuur. Beelden uit de Oudheid staan broederlijk naast gotische kathedralen, Islamitische heiligdommen, details van gebouwen van Mies van der Rohe, Le Corbusier of Ground Zero NY maar de reeks eindigt met sfeerbeelden: niet enkel een zonsondergang maar ook fuzzy beelden van Luzern.

Het essay van von Moos sluit daar meteen bij aan. Zijn basisstelling is dat het oeuvre een poging is om de vluchtige, wisselvallige manier waarop mensen architectuur in het gewone leven ervaren te slim af te zijn. Von Moos stelt dat architectuur vandaag niet langer het beeld van een stad bepaalt met gebouwen als een stadspoort, een station etc. In ruil moet architectuur indrukken concreet maken, bijvoorbeeld door ‘de schoonheid van de sporen van regendruppels op een gevel tastbaar te maken’. In die zin doen Herzog & de Meuron, net zoals conceptuele kunstenaars als Donald Judd, een beroep op de kijker om objecten op te laden met hun eigen verbeelding of zelfs een ‘active hallucinatory seeing’. Von Moos komt zo ook tot een verklaring van de soms nogal tegendraadse tentoonstellingsconcepten van Herzog & de Meuron. Het essay verliest zich gaandeweg echter in soms wat oeverloze uitweidingen die het punt dat de auteur wil maken verwateren.

Arthur Ruëgg focust scherper. Hij gaat na hoe de ontwerpers omgaan met bestaande gebouwen en contexten. Hij merkt op dat Jacques Herzog en Pierre de Meuron in hun studententijd beïnvloed werden door de lessen van Aldo Rossi aan de ETH Zürich, maar toen ook de historische stadskern van Basel, hun thuisbasis, grondig onderzochten. Modernisten zijn ze dus niet. Dat blijkt bijvoorbeeld uit hun ongegeneerde imitatie van steen met houten panelen in het Stadtcasino Basel. Het duo is echter bovenal uiterst pragmatisch: als het programma dat vraagt grijpen ze drastisch in op historische materie. Als restaurateurs komen ze zo eerder in de buurt van Viollet-le-Duc dan van het Charter van Athene. Ruëgg schreef zo een prikkelend essay, dat me met andere ogen deed kijken naar een project als CaixaForum Madrid,

De hoofdmoot van het boek zijn uiteindelijk toch de 25 projecten die, naar het oordeel van von Moos en Ruëgg, een beeld geven van het oeuvre. Foto’s van topfotografen als Iwan Baan of Thomas Ruff, zorgvuldig geselecteerd planmateriaal en accurate toelichtingen geven inderdaad een goed beeld van de constructie, de bouwhistoriek en de kritische receptie van projecten. Dat alleen al maakt deze publicatie het lezen meer dan waard.

Twentyfive x Herzog & de Meuron, Stanislaus von Moos / Arthur Ruëgg – foto’s Thomas Ruff, Iwan Baan, Pierre de Meuron et al, Steidl Verlag, Göttingen, DE, 2024. 496 blz, Engels, ISBN 978-3-96999-138-1. Richtprijs 95 €.