Kan hoogbouw bijdragen tot een denser stedelijk weefsel dat tegelijkertijd gezonder, meer divers, zelfvoorzienend, impactneutraal en uit te breiden is? En zo ja, hoe? Sven Verbruggen en Bart Hollanders onderzoeken dit jaar met de masterstudenten van de UAntwerpen wat de ‘goede’ redenen zijn om in de hoogte te bouwen. In deze ‘verticale’ masterstudio werken vierde- en vijfdejaars rond hetzelfde thema. Samen lazen ze Delirious New York van Rem Koolhaas uit 1978 als typologisch manifest, en vertrokken van het axioma dat op het vlak van hoogbouw typologisch alle kaarten al op tafel liggen sinds het einde van de jaren 1970. Vandaag liggen de prioriteiten echter anders en zijn het de klimatologische, economische en sociale bekommernissen die aangeven op welke aspecten van hoogbouw wél nog ingezet kan worden.
De studenten uit de tweede master kregen de opdracht dit theoretisch kader verder uit te diepen, vertrekkend vanuit verschillende thema’s zoals onder meer metabolisme, discours, medium and message, en culturele perceptie. Vanuit die thema’s onderzoeken ze hoe hoogbouw in relatie staat tot de stad. Sven Verbruggen: “In de jaren 1970 stond de bovenbouw van de toren centraal en speelde die een iconische en performatieve rol ten opzichte van de stad. Vandaag zit de sleutel tot goede hoogbouw in hoe de sokkel mee de stad maakt.” Daarom werd The City of the Captive Globe, het gekende schilderij van Madelon Vriesendorp, symbolisch op zijn kop gezet: in plaats van generieke sokkels met specifieke torens als bovenbouw, ontwierpen de studenten specifieke sokkels terwijl ze de bovenbouw vanaf een hoogte van 40 meter negeerden. Dit resulteert in een abstracte opgave waarbinnen de lobby, de structuur, de gevel en de circulatie een cruciale rol gaan spelen. De hedendaagse toren blijkt in de eerste plaats een goed ontworpen benedenverdieping.