Weinig steden dragen zo’n complexe geschiedenis mee als Wenen. Van de ene dag op de andere veranderde het na WO I van de hoofdstad van een wereldrijk in een armelijke provinciestad. Toch kende de intellectuele en artistieke cultuur ervan tot ver buiten de gekrompen landsgrenzen grote weerklank. Tot de Anschluss bij Nazi-Duitsland daar een einde aan maakte… Het land kwam met die erfenis moeilijk in het reine in de eerste decennia na WO II. Kunstenaars én architecten ageerden heftig tegen dat grote zwijgen en beriepen zich daarbij vaak op de cultuur van het interbellum. In de architectuurcultuur die zo moeizaam overeind krabbelde speelden Hermann Czech en Hans Hollein, op zeer verschillende wijze, een hoofdrol. Twee publicaties getuigen daarvan.
Hermann Czech (°1936) is, ten onrechte, weinig bekend. Dat komt ten eerste doordat hij vrij weinig bouwde, en meer kleine cafés, winkels en woningen dan prestigieuze projecten. Hij bouwde ook nauwelijks buiten Wenen. De belangrijkste reden is echter dat Czech’s werk, anders dan de winkels of het Haas Haus van Hollein, nauwelijks opvallen. Ze zijn zo door en door Weens dat je er achteloos aan voorbij kan lopen.
De elegante brug die de twee helften van het Wiener Stadtpark verbindt is bijvoorbeeld van zijn hand, net als het leuke Kleines Café aan de Franziskaner Platz. Het lijkt geen ‘belangwekkende’ architectuur, tot je opmerkt hoe die Stadtparksteg subtiel het perspectief corrigeert. Of hoe dat café met spiegels, bankstellen en geraffineerde muurlijsten de vooroorlogse sfeer van het Weense koffiehuis oproept, zonder een pastiche te zijn.
Czech (°1936) is overigens veel meer dan een architect. Hij publiceerde scherpe observaties over architectuur in diverse tijdschriften en boeken, en was meermaals curator van belangwekkende tentoonstellingen. Hij kan erg scherp uit de hoek komen. In 2023, 87 jaar oud, zette hij de Biënnale van Venetië voor het blok met het project voor een brug over de muur van het biënnaleterrein naar Sant’Elena. Zo kon de buurt genieten van de Giardini zonder toegang te betalen. De Biënnale was er als de kippen bij om dat te verhinderen en bewees zo zijn punt: de cultuurtoeristische industrie berooft de bewoners van hun eigen stad.
Over zijn gedachtengoed en oeuvre publiceerde Eva Kuss de studie Hermann Czech / an architect in Vienna. Kuss neemt een lange aanloop met een uitgebreide schets van de intellectuele geschiedenis van Wenen sinds de jaren 1920. Kenmerkend voor auteurs als Karl Kraus, filosofen als Ludwig Wittgenstein, maar ook architecten als Adolf Loos en Jozef Frank was dat ze de ervaring voorop stelden. Dat maakte ze wars van metafysica, maar ook van het abstracte modernisme dat het Bauhaus predikte. Dat drong mensen volgens Jozef Frank een moraal op waar ze niets mee konden doen. Ook voor Adolf Loos was ‘modern zijn’ wel een noodzaak, maar volgt daaruit niet dat het verleden de schop op moet of huiselijkheid uit den boze is.
Czech knoopte aan bij deze denkwereld toen die in de vroege jaren 1960 weer aan de oppervlakte kwam en nam actief deel aan het culturele leven dat toen ontstond. Kuss beschrijft die intellectuele ontwikkeling in detail. Die completeert ze met gedetailleerde besprekingen van het gedachtengoed dat aan de basis lag van 32 projecten. Vooral die beschrijvingen, plannen en foto’s bieden een helder inzicht in de complexe en subtiele ontwerpen van Czech. Hij streeft in elk project naar een sterke verantwoording van elke beslissing, en houdt nauwgezet rekening met alle mogelijke factoren, zoals de context of de wensen van de klant. Voor Czech is ‘rekening houden met de klant’ echter niet hetzelfde als hem naar de mond praten! De uitkomst van dat ontwerpproces ziet er vaak heel gewoon uit. Czech heeft immers een afkeer van architectuur die wil opvallen. Bij nader toezien blijken zijn ontwerpen echter altijd te barsten van ongewone, vaak geestige oplossingen om conflicten in programma, context of bouwmethodiek te counteren. In een apart, belangwekkend essay schetst Elisabeth Nemeth de filosofische achtergronden van zijn werkwijze. Dit boek is zo een uitstekende introductie tot een onderschat oeuvre.
Hans Hollein was in alles het tegendeel van Czech. Niet alleen had hij een voorliefde voor uitbundige, opvallende projecten, hij bepleitte ook, anders dan Czech, een autonome architectuur en een progressieve aandacht voor ‘het nieuwe’ in al zijn vormen. Toch had ook Hollein een levendige, en typisch Oostenrijkse aandacht voor het verleden waar hij in zijn beeldtaal ook dikwijls aan refereerde. Zijn vormelijke bravoure leverde hem al in 1985 de Pritzker Prize op. Zijn ster taande na zijn dood in 2014, maar recent kent zijn werk een revival. Het Weense Architekturzentrum wijdde daarom een tentoonstelling aan de invloed van zijn oeuvre op jonge, toonaangevende bureaus. Dat leverde het wat halfslachtige boek Hollein calling – architectural dialogues op. De documentatie van 15 projecten en de teksten over Hollein zijn summier en verhelderen weinig. Ze lijken vooral een geforceerde manier om tot een vragenlijst te komen die aan vijftien ‘jonge’ architecten voorgelegd werd. Die gesprekken vormen de basis van het boek, maar zijn alweer wisselend van kwaliteit en diepgang. Interessant is wel dat vier van die architecten Belgen zijn of in België gevestigd zijn (Aslι Çiçek, Dirk Somers, Doorzon en Kersten Geers) terwijl ook de Nederlander Job Floris hier vaak werkt.
Hermann Czech / An architect in Vienna, Eva Kuss, Park Books Zürich 2023. Hardback, 472 p. ISBN 978-3-03860-346-7. Richtprijs 48 €. (Er bestaat eveneens een Duitstalige uitgave)
Hollein calling / architectural dialogues, Lorenzo De Chiffre, Benni Eder, Theresa Krenn (eds.), Architekturzentrum Wien / Park Books Wenen Zürich, 2023. Paperback 220 p. ISBN 978-3-03860-340-5. Richtprijs 38 €.