Cocreatie, een proces waarbij gebruikers en bewoners mee nadenken over een ontwerp, is weinig gangbaar bij publieke projecten. Overheden staan niet te springen voor langdurige, omslachtige processen met niet-professionele partijen omdat de uitkomst onvoorspelbaar is. Ook planners en architecten branden er liever hun vingers niet aan. Er is ook geen echt verdienmodel: iedere context vraagt om een andere aanpak. Toch kiezen sommige ontwerpers ervoor. Ze gaan daarbij vaak heel inventief te werk. Drie voorbeelden uit Portugal, Duitsland en Frankrijk.
De Amerikaanse arbeidssocioloog Richard Sennett wees er in The uses of disorder in 1970 al op dat stadsplanning in de 20ste eeuw een zaak was van hoogopgeleide middenklassers. Hun ontwerpen streefden naar een ordelijke omgeving met harde functionele scheidingen omdat die overeenstemde met de wereld en de waarden die ze kenden. Ze hadden simpelweg geen idee van (of stonden afkerig tegenover) de leefwijzen van minder gefortuneerde groepen. Toch hadden ze de beste bedoelingen: ze mikten op niets minder dan Utopia, een plek waar alles, voor iedereen, voor eens en altijd ten goede geregeld zou zijn, liefst op planetaire schaal. Zolang ze maar niet hoefden af te dalen naar de gewone wereld om gewone problemen op te lossen. Sennett schreef dat op het ogenblik dat die utopistische, modernistische stedenbouw vaak sociaal en cultureel een mislukking bleek.