Na precies elf maanden pandemie is het moeilijk om van een nieuwe start te spreken, goede voornemens in de praktijk te brengen en onbezwaard het nieuwe jaar in te duiken. We willen wel hoopvol vooruitkijken, maar blijven uiteindelijk terughoudend, kijken met een halve blik achterom, over de schouder. Zo detecteren we trends, de evolutie van het virus, de ontwikkeling van varianten, de impact op ons fysiek en psychisch welzijn en de gevolgen op het woon-, werk- en consumeergedrag van de burger. Vooral het wonen staat in lockdowntijden onder druk. Sinds maart 2020 werd onze woning plots de plek waar alle facetten van het dagelijkse leven zich moesten afspelen. Naast slaapplek is de woning vandaag ook nog kantoor, school, café, sportcentrum, theaterzaal, cinema, restaurant of (virtuele) vakantiebestemming. Uiteraard heeft dat een invloed op de woningmarkt. Meer dan ooit snakken mensen naar wat we doorgaans woonkwaliteit noemen: licht, uitzicht, een extra slaapkamer en toegang tot een bruikbare buitenruimte. Het huis met de tuin is meer dan ooit in trek, en de vraag naar parken en kwalitatieve publieke ruimten in de stad groeit.
Betekent corona het definitieve failliet van wonen in de stad? Krijgt de verkaveling alsnog gelijk? Ik denk het niet. Het woonvraagstuk is complexer dan de achterhaalde tegenstelling tussen stad en platteland. Het is nauw verweven met betaalbaarheid, mobiliteit, nabijheid van voorzieningen en duurzaam comfort. Dat neemt niet weg dat corona een vergrootglas legt op het tekort aan toereikende woningen in België en zo de woondroom expliciet maakt.