Volgens de Oostenrijkse architect Dietmar Eberle kun je de levensverwachting van een gebouw opdelen in vijf tijdvensters. Eerst komt de inplanting en de relatie van het gebouw tot de publieke ruimte en de infrastructuur. Die zouden 200 tot 300 jaar moeten meegaan. Dan komt de draagstructuur en de verticale circulatie met een levensduur van ongeveer 100 jaar. De gevel is na gemiddeld 50 jaar al aan vervanging toe, hoewel sommige materialen zoals natuursteen of baksteen het uiteraard beduidend langer volhouden. Het gebruik van het gebouw, zoals de indeling van het plan, maar ook de technieken, gaan meestal maar één generatie mee, dus 25 à 30 jaar. Ten slotte komt de afwerking en de meubilering die na hoogstens 15 jaar vervangen moet worden.

Als je deze redenering doortrekt, begrijp je waarom sommige kantoortorens of huisvestingsprojecten al na 30 jaar tegen de vlakte gaan. Het gaat vaak niet alleen om een financiële operatie; aan de basis ligt ook een conceptuele denkfout. Ze werden immers snel ontworpen, volledig in functie van een beperkt en monofunctioneel gebruik. Zelfs al kan hun draagstructuur om statische redenen nog jaren mee, bij gebrek aan generische kwaliteit blijkt ze uiteindelijk te snel achterhaald.