Aan het begin van elk nieuw schooljaar woedt traditioneel een fel debat over de toekomst van het onderwijs. Ook dit jaar laaiden de gemoederen hoog op, en daar zijn veel goede redenen voor. Volgens de PISA-rapporten bengelt het niveau van het onderwijs in Franstalig België al jaren helemaal onderaan de lijst van de landen binnen de westerse wereld. Vlaanderen, dat op het gebied van onderwijsprestaties in2003 nog tot de absolute wereldtop behoorde, vliegt bij elke nieuwe studie een paar banken achteruit. Vlaams onderwijsminister Hilde Crevits reageerde afgelopen voorjaar almeteen met de aankondiging van nieuwe hervormingen die deze maand in voege treden én een pak meer middelen. In de Franstalige gemeenschap werd voor de zomer het pacte d’excellence gelanceerd waarin onder andere het zittenblijven aan banden wordt gelegd dankzij een beter begeleiding van elke leerling. Bovenop de slechte PISA-punten komen nog eens een schrijnend gebrek aan leerkrachten, gekibbel tussen de onderwijsnetten en een groeiend capaciteitsprobleem

Om aan dit laatste probleem tegemoet te komen werd een aantal jaren geleden een inhaalbeweging in gang gezet met de bouw van honderden scholen tot gevolg. Het programma ‘Scholen van Morgen’, een publiek-private samenwerking begeleid door het team van de Vlaams bouwmeester, zorgt voor nieuwe, kwalitatieve gebouwen in Vlaanderen. Ook in Wallonië timmert men verder aan de weg en in Brussel, waar het gebrek aan plaatsen het meest nijpend is, begeleidt de Brussels bouwmeester de procedures voor zowel Nederlandstalige als Franstalige scholen